Wie de Republikeinse voorverkiezingen een beetje heeft gevolgd, weet dat de vier kandidaten tamelijke problemen hebben om de eigen achterban echt enthousiast te maken. Ron Paul heeft dan wel zijn trouwe schare om zich heen, maar de andere drie kandidaten kunnen nauwelijks bogen op een echte natuurlijke doelgroep waarop ze kunnen bouwen. Zowel de peilingen als de resultaten van de inmiddels gehouden voorverkiezingen en caucuses tonen aan dat de Republikeinse kiezers gewoonweg niet overtuigd zijn van de geschiktheid, aantrekkelijkheid en electorale kansen van de vier Republikeinse kandidaten.
Ook in de conservatieve opiniebladen begint men steeds vaker op de onrusttrommel te roffelen. Bill Kristol van
The Weekly Standard roept al sinds december dat een zogenaamde brokered convention geen onmogelijke uitkomst is -- hij deed dat weer in het praatprogramma Fox News Sunday van afgelopen zondag -- of dat men rekening moet houden met het late toetreden van een nieuwe kandidaat zoals Jeb Bush, Marco Rubio of Mitch Daniels.
National Review, dat onofficieel en tussen de regels door de kandidatuur van Mitt Romney als het meest wenselijke acht voor de algemene verkiezingen in november, weet niet goed waar de race heen gaat. In een forumdiscussie over het meest recente debat in Arizona merkte columniste
Mona Charen op dat alle zogenaamde verkiezingsexperts maar eens heel klein moesten zijn:
This is the most unpredictable political year in living memory. Every
pundit should pound his chest and repeat, “I know nothing. I know
nothing.”
Charen reageerde, net zoals veel andere kenners, op de zwakke prestaties van Rick Santorum tijdens dat debat. Santorum werd bijkans de hele avond in het nauw gedreven door Mitt Romney en Ron Paul. Die twee kandidaten lijken dezer dagen een soort verstandshuwelijk te hebben gesloten, omdat beide heren er voordeel van hebben door gezamenlijk tegen Santorum en Gingrich op te treden. Als gevolg van Santorums knudderige debat zakt hij ook weer in de peilingen, waardoor Romney in de aanstaande voorverkiezingen in Arizona en Michigan toch weer hogere ogen gooit.Sinds het debat zijn er in Michigan al twee peilingen gedaan die aantonen dat Santorums voorsprong aan diggelen is; Romney die op maandag nog 6 punten achterstond, gaat nu met 4 punten op kop.
Charen waarschuwde conservatieve lezers een dag later ook nog eens expliciet om Rick niet de kandidaat van de partij te maken, omdat hij het te druk zal hebben "om Satan achter zich te krijgen" om tegen Obama echt van leer te kunnen trekken.
Het sentiment dat Charen uitdrukte verwoordt goed de onrust die er in deze verkiezingscampagne leeft. Als het electoraat bij de lichtste windvlaag omslaat als een blad aan een boom, wat wil dat dan zeggen over de tevredenheid van de kiezers over de kandidaten? Na het debat laaide het stiekeme gefluister opnieuw op over de mogelijkheid dat er toch nog een last-minute kandidaat komt als Romney het in Arizona verbruit. Ik zou er maar niet te veel om verwedden dat er nu nog een kandidaat komt;
sorry, folks. This is it.
Het gevoel van een
fait accompli neemt de laatste weken ook nog eens toe door de lichte kentering in de electorale kansen van de uiteindelijke tegenstander in november: Barack Obama. Na positieve economische cijfers over januari, met name wat betreft de werkloosheid, is zijn rapportcijfer in de laatste peilingen weer licht gestegen. Volgens het gemiddelde van
RealClearPolitics staat Obama nu op 48,1%, een niveau dat hij sinds juni 2011 niet meer heeft gehaald. In veel staten is een lichte stijging van de positieve oordelen over de president te zien. Toch blijft Obama met een percentage onder de 50% in zijn derde ambtsjaar een flinke uitzondering onder recente presidenten. Alleen Carter en George H.W. Bush hadden zulke lage cijfers op dit moment in hun ambtstermijn (Carter rond de 45% en Bush schommelde rond de 40%). Beiden verloren die november hun herverkiezing. Reagan, Clinton en zelfs de nu zo verguisde George W. Bush haalden de 50% nog (Reagan zat zelfs met gemak rond de 55% en zat net als Clinton in een stijgende lijn).
De pratende hoofden in kranten en op tv willen met zulke cijfers graag laten geloven dat een president met een rapportcijfer onder de 50% niet herkozen kan worden. Dat is zeker niet waar. Harry Truman lukte het om in november 1948 herkozen te worden, ondanks het feit dat hij in de lente van dat jaar (zijn derde ambtsjaar) goedkeuring van slechts 36% van de kiezers genoot. Maar Truman is wel de enige na-oorlogse president die dat kunstje geflikt heeft.
Er is in deze discussie echter meer van belang dan alleen de wanhoop onder conservatieven dat de lichting van 2012 het toch niet is om het in november op te nemen tegen Obama, en dat zijn de herverkiezingskansen voor Barack H. Obama zelf. Republikeinen vrezen dat een groeiende en gezonder wordende economie hun het beste argument in de verkiezingscampagne zou kunnen ontnemen, namelijk de boodschap dat Obama het economisch herstel verprutst heeft. De stijgende lijn van Obama nemen zij dan ook met huivering waar. Maar heeft Obama zijn herverkiezing dan echt al binnen?
Ik dacht het niet.
Waar veel cijferfreaks elke vier jaar tegen beter weten in toch weer niet aan denken (en daaronder ook veel buitenlandse journalisten) is het getrapte systeem van de Amerikaanse presidentsverkiezingen. De stemmen van gans het volk worden niet eenvoudig op een hoop gegooid en dan geteld. Elke staat kiest afzonderlijk één van de kandidaten en wijst dan het aantal kiesmannen dat die staat is toebedeeld aan. In feite een puntensysteem gebaseerd op het aantal afgevaardigden in het Huis plus het aantal senatoren, plus Washington DC dat drie kiesmannen krijgt (vandaar het getal 538 en de naam van het
New York Times blog FiveThirtyEight: 100 senatoren + 435 afgevaardigden + 3 kiesmannen voor Washington).
Het merendeel van de staten is zo veilig in handen van één van de twee partijen, dat zij in geen enkele berekening worden bekeken. Alleen de 'swing states', die staten waar het verschil tussen Democratische en Republikeinse stemmen klein is, staan echt op het spel. Hoe Obama het doet in die staten is afgebeeld in onderstaande tabel.
 |
| bron: TalkingPointsMemo / RealClearPolitics • 24 februari 2012 • (c) Americanicum |
Deze cijfers tonen aan dat Obama wel degelijk in de lift zit in dit groepje staten. Maar de vraag is hoeveel en of het wat uit zal maken. In 2008 won Obama al deze staten behalve Arizona. In Iowa, North Carolina en Ohio komt Obama wel vooruit, maar houdt hij per saldo een negatieve beoordeling. In Florida, Minnesota, New Hampshire, Virginia en Wisconsin is er sprake van een stijgende lijn met een per saldo positieve beoordeling, maar in de eerste twee krijgt de president van minder dan de helft van de bevolking een positief cijfer. (Voor de mensen die dat proberen na te rekenen: de truc is dat in die staten veel "ik weet niet" antwoorden zijn gegeven, eveneens een teken dat men niet uitermate enthousiast is over de president.)
Wie van de vuistregel uitgaat dat Obama alle staten zal verliezen waar hij nu beneden de 50% scoort (zoals boven gezegd, het is geen waterdicht argument) zal concluderen dat Obama met 251 kiesmannen zal verliezen van de nog onbepaalde tegenstander die er dan 287 zal opstrijken. In werkelijkheid is het moeilijk voor te stellen hoe Obama Virginia blijft winnen. De staat verkeert al vele jaren op een wankele bres tussen de twee partijen en hoewel de trend door de inmigratie van veel Democratische bureaucraten uit de omgeving van Washington DC in de richting van de Democraten lijkt te zijn, is er ook veel kritiek op de president. De stijgende trend is zeer recent en enigszins twijfelachtig. Streep je Virginia voor Obama weg, dan staat de president zelfs maar op 238 kiesmannen met 300 voor Gingrom Paultorum. Wie zich teveel doodstaart op de gebreken onder de Republikeinen ziet over het hoofd hoe diep Obama in de nesten zit. De kiezers om wie het in november echt draait zien Obama eigenlijk niet meer zitten.
Oplettende lezers zullen overigens hebben gezien dat er één staat eigenlijk niet in deze lijst thuishoort: Arizona. De staat is al enkele decennia lang een veilige Republikeinse staat. De linkse columnist
Juan Williams presenteerde op Fox News deze week echter een interessant scenario: Arizona zou wel eens voor Obama kunnen gaan. Volgens Williams heeft het campagneteam van de president de ogen op de staat in het zuidwesten gericht. Jim Messina, campagnevoorzitter van Barack Obama, herinnerde de Democratische supporters aan twee feiten: (1) in 2008 kwam Obama's tegenstander uit Arizona; het is bijna onmogelijk om de thuisstaat van de tegenstander te pakken, maar John McCain won zijn eigen staat maar met een voorsprong van 8 procent; en (2) de controversiële immigratiewet van Arizona (SB 1070) heeft veel zwevende kiezers en mensen die normaal niet stemmen in het geweer gebracht tegen gouverneur Jan Brewer. Volgens Messina is het in het geheel niet uitgesloten dat de verontwaardiging over SB 1070 zo groot is dat het gat van 8 procent van 2008 is te dichten, vooral als men nieuwe kiezers kan aanwerven.
Op het moment lijkt dat scenario eerder een wensdroom dan werkelijkheid. Zoals de tabel aangeeft zijn de kiezers in Arizona uitgesproken negatief over Obama's functioneren; en de trend is in negatieve richting. Er zijn overigens relatief veel peilingen in Arizona, zodat er een tamelijk goed overzicht is over de situatie in de staat. Desondanks moeten Messina's opmerkingen wel serieus worden genomen. Republikeinse kiezers lopen niet warm voor de huidige kandidaten. En onder het motto "better the devil you know" (kies maar liever voor een kwaad waarmee je bekend bent) zouden zwevende kiezers wel eens de afweging kunnen maken dat een zwakke Obama beter is dan eender welke Republikein. Er zijn tien kiesmannen te verdienen in Arizona, niet genoeg om echt veel gewicht in de waagschaal te leggen.
Als voorspelling moet deze bijdrage niet worden gelezen. Ik lig immers op de grond voor mijn computer en sla mij op de borst: "Ik weet niets. Ik weet niets." Daar ben ik me des te meer van bewust. Toch geloof ik dat deze dingen wel het overdenken waard zijn. Met onze aandacht zo sterk op de Republikeinen gericht zijn we geneigd alles te overanalyseren. De gewone man in de straat leeft in een zwakke economie en maakt zich weinig zorgen over het conservatieve quotiënt van de Republikeinse kandidaten. Los van de Republikeinse voorverkiezingen blijft de gewone man van de straat nog steeds in groten getale wars van Obamacare.
Als het de Republikeinen lukt om die twee aspecten (economie en Obamacare) genoeg onder de neuzen van de gewone man (en vrouw) in de swing states te wrijven, heeft Obama genoeg zorgen aan zijn hoofd om zich in ieder geval nu nog niet rijk te rekenen.