zondag 2 november 2014

Verkiezingen in bitter gepolariseerd Amerika

Als de uitslagen van de Congresverkiezingen op woensdagochtend bekend worden weet Amerika wellicht nog steeds niet wie de Senaat in handen heeft. In verschillende staten is het verschil in de peilingen tussen de Republikeinse en de Democratische senaatskandidaat enorm klein.

In Louisiana en Georgia eist de wet bovendien dat kandidaten minstens vijftig procent van de stemmen moeten behalen om een tweede stemronde in resp. december en januari te voorkomen. Het zal dus misschien wel tot januari duren voor duidelijk wordt, welke partij de Senaat in handen krijgt.

Ideologisch

Die krappe marges tussen de twee partijen komt door de bittere polarisering van Amerika. President Obama is nog nooit zo impopulair geweest: in 43 staten geven kiezers hem nu een onvoldoende rapportcijfer. Democraten doen verwoede pogingen om Obama buiten de verkiezingen te houden: hij staat immers niet op het stembiljet. Tevergeefs: congresverkiezingen halverwege de tweede ambtstermijn van een president zijn altijd de facto een referendum over de president.

Zo argumenteerde de conservatieve columnist Dennis Prager vorige maand dat elke stem aan een Democraat een stem voor de president is. Onafhankelijke policiti bestaan niet meer: alle Democraten steunen de harde linkse koers van de president. Daar valt hier en daar wel wat op af te dingen, maar hij zit er niet ver naast. De goedkeuring van Obamacare, waarbij alle Republikeinen en slechts 34 Democraten in het Huis van Afgevaardigden tegen de wet stemden, is een sprekend voorbeeld van de ideologische puurheid in beide partijen. Op 4 na zijn al die Democraten intussen uit het Huis verdwenen.

Kiezers gedragen zich anders dan voorheen. Vroeger was het niet ongewoon dat burgers Democraten voor het ene ambt en Republikeinen voor het andere ambt kozen, een zogenaamde split ticket, ofwel een gemengd stembiljet. Die dagen zijn voorbij: meer kiezers dan ooit stemmen uitsluitend voor kandidaten van dezelfde partij voor alle ambten die dat jaar op het stembiljet staan, van president en congreslid tot de burgemeester, de sheriff en de onderwijsraad.

Stembusfraude

Er zijn ook zorgen over de integriteit van de verkiezingen zelf. Een nieuwe wetenschappelijke studie bewijst dat een klein, maar niet insignificant aantal buitenlanders illegaal stemt in de VS, en bijna allemaal voor de Democraten. In 2008 heeft dat de uitkomst van enkele congressionele verkiezingen beïnvloed.

Colorado zorgt voor nieuwe hoofdbrekens dit jaar. Daar schafte de Democratische provinciale regering de stembus helemaal af. Iedereen stemt nu per post. De nieuwe procedure lokt grootschalige stembusfraude uit aangezien er geen enkele controle is op de identiteit van de kiezers die formulieren insturen. Fraudeurs kunnen ongebruikte stembiljetten zonder problemen uit de recycling van burgers opvissen.

In het licht van legio dergelijke voorbeelden is het onbestaanbaar dat de Democraten, met vertrekkend minister Holder van Justitie voorop, beweren dat stembusfraude niet bestaat en een identificatieplicht bij de stembus onnodig is. Holder beticht voorstanders van zo’n identificatieplicht van racisme, omdat minderheden volgens hem sterker benadeeld worden door zulke regels dan blanken. Dat is een aanvechtbare bewering. Belangrijker is waarschijnlijker dat minderheden de voorkeur geven aan Holders partij. Met overdreven aantijgingen van racisme wil Holder met hulp van de sensationalistische pers zwarte kiezers tot genoeg verontwaardiging aansporen om op 4 november te stemmen.

Spiraal

De polariserende spiraal wordt gedreven door de sensationalistische mediacultuur, waarin de diepgang verloren gaat. Veel politici, die voor hun verkiezing van die media afhankelijk zijn, reduceren hun boodschap tot populistische kreten. Daaruit komen de vaak sterk verwrongen aantijgingen jegens de tegenkandidaat – de zogenaamde negatieve campagnespotjes – en de gênante optredens van kandidaten in komische talkshows zoals The Daily Show.

Een ander probleem is dat de nieuwsmedia en politici persoonlijk sterk verweven zijn. De directeuren van de nieuwsafdelingen van zowel ABC als CBS, twee van de grootste tv-zenders, hebben naaste familieleden in het Witte Huis. De vele topjournalisten met Obama-connecties doen twijfels rijzen over de onafhankelijkheid van de pers; de overgrote meerderheid van de politieke journalisten in Washington D.C. geeft toe Democraat te zijn.

De Canadese auteur Mark Steyn waarschuwde recent: de echte slag is om de bredere cultuur, niet om verkiezingen. Zolang de informatievoorziening van kiezers gedomineerd blijft door sensatiemedia, de softe propaganda die in veel amusementsprogramma’s verwerkt zit en de korte slogans op Twitter en Facebook zal er weinig veranderen in het politieke klimaat.

maandag 20 oktober 2014

Amerika's dilemma

Amerika staat voor een politiek dilemma: geen van beide politieke partijen biedt oplossingen voor de problemen waarin het land en de wereld verkeren. Het ideologisch bankroet van Amerika’s politiek vergroot de destabilisatie van de wereldeconomie en de internationale veiligheid.
De media verwachten dat Republikeinen bij de Congresverkiezingen op 4 november hun meerderheid in het Huis vergroten en de benodigde zes zetels in de Senaat pakken om ook daar de meerderheid te gaan vormen. Wat ontbreekt is enthousiasme voor de machtswisseling in het Congres, want de Republikeinen blijven hopeloos onpopulair.

Eerder in het jaar leken de Republikeinen af te stevenen op een historische zege. Een groeiende meerderheid van de kiezers is gigantisch teleurgesteld in president Obama. Het economisch herstel, voor zover de burger de optimistische statistieken van de regering überhaupt nog gelooft, is het langzaamste ooit. Daarenboven is Amerika ook moe van de corruptie en incompetentie van de regering-Obama. Amerikanen vinden in overgrote meerderheid dat de president en zijn partij op allerlei terreinen -- economie, financiën, defensie, immigratie, gezondheidszorg, milieu en buitenlandbeleid -- maar wat aan het klungelen zijn.

Met het falen van de man die in 2008 nog als de Messias van Amerika werd toegejuicht blijven er voor Amerika nog maar weinig alternatieven over. De afstraffing die de Democraten over twee weken ongetwijfeld zullen krijgen zal waarschijnlijk tamelijk mild blijven. Als de Democraten erin slagen de schade in de Senaat tot vijf zetels of minder te beperken en dus de meerderheid behouden -- niet erg waarschijnlijk, maar ook niet onmogelijk -- betekent dat een laatste waarschuwingsschot voor de Republikeinen.

Wil de conservatieve oppositie levensvatbaar blijven als politieke beweging, dan dient men in november een overtuigende overwinning te behalen. Dat Republikeinen in zoveel Senaatsverkiezingen zo’n magere voorsprong hebben is een aanklacht tegen de arrogantie en de fantasieloze leiding van de partij, waarmee Republikeinen de voeling met gewone burgers in allerlei lagen van de maatschappij hebben verloren.

Een massale overwinning blijft hen over twee weken grotendeels ontzegd, omdat de partij net als in 2012 geen positieve visie presenteert. De boodschap blijft volledig negatief: Obama en de Democraten hebben gefaald. Dat moge dan waar zijn, maar die boodschap trekt weinig zwevende kiezers aan. Ook al zijn de kandidaten een stuk beter dan in 2012, de Republikeinen blijven zonder een strak omlijnd program een zielloze entiteit die zich door gewiekste Democratische media-adviseurs te makkelijk een label (“harteloos”, “oorlogszuchtig”, “anti-vrouw”, “homofoob”, “racistisch”) laten opdrukken.

Er is reden tot flinke zorg over de toekomst van ‘s werelds machtigste democratie. Het huidige economische en fiscale beleid is onhoudbaar. Onder zowel Bush als Obama is de staatsschuld tot onbetaalbare hoogten gestegen. Obama is een fervent aanhanger van de progressieve theorie van een sterke, gecentraliseerde overheid en heeft zodoende sociale zorgprogramma’s en de federale bureaucratie gigantisch uitgebreid, maar ook zijn voorganger heeft zich teveel laten verleiden tot een beleid dat uitging van een door de overheid maakbare samenleving. Op de huidige weg is Amerika binnen twintig jaar failliet.

De Republikeinse critici van Bush’ onverantwoorde fiscale beleid hebben sinds diens vertrek de leiding in de partij overgenomen en maken zich sterk voor een verkleining van de federale overheid en daarmee van de staatsschuld. Maar de Republikeinen hebben alle sympathie in het land verloren en Democraten genieten voordeel door enkel de status quo van de verzorgingsstaat te verdedigen; een oplossing aanbieden voor de fiscale situatie is niet in hun electorale belang.

En dus gebeurt er niets. Elk beleidsdebat is een politiek machtsspel geworden, zodat Amerika fiscaal steeds zwakker wordt. Met een president wiens prioriteiten volledig bij het uitbreiden van sociale zorg liggen verwondert het dan niet dat de krapper wordende financiële middelen daar aangewend worden ten koste van kritieke overheidstaken zoals defensie, grensbescherming en buitenlandbeleid.

Als de peilingen kloppen zijn de kiezers bereid om Obama’s beleid in november op de korte termijn te beteugelen, maar een echte uitweg uit de politieke impasse ontbreekt node.

woensdag 17 september 2014

Halve maatregelen tegen IS

Na lang dralen de afgelopen weken en maanden heeft President Obama eindelijk gesproken. In een toespraak tot het volk maakte hij vorige week bekend wat zijn strategie was om IS aan te pakken. Niemand is eigenlijk tevreden met de aangekondigde plannen. Terwijl Europa, en met name de meer naar links neigende delen, te hoop loopt tegen het feit dat Obama’s plannen in strijd zijn met internationale verdragen, roepen veel militaire analisten in binnen- en buitenland juist dat de strategie te timide is.

De Volkskrant schreef in een commentaar van de hand van Fokke Obbema dat de aangekondigde bombardementen van IS-doelen in Syrië volkenrechtelijk niet door de beugel kunnen. Obbema schrijft:
Obama's legitimatie van de Syrische aanvallen loopt via een beroep op zelfverdediging. Dat is gekunsteld. Voor dit deel van zijn IS-strategie behoort hij te streven naar een mandaat van de Veiligheidsraad. Frankrijk wijst daar terecht op. Ook de Nederlandse regering, als fervent aanhanger van de internationale rechtsorde, dient voor die route te pleiten.
Aan dit soort juridische muggenzifterij heeft niemand wat. Er zijn voldoende rechtvaardigingen onder bestaande internationale verdragen om President Obama en andere geallieerden de vrijheid te geven ook in Syrië bombardementen uit te voeren. De onbedwingbare drang om in het huidige conflict Obama’s handen aan een bureaucratische procedure te binden in plaats van de VS stevig te steunen in het bestrijden van een acuut gevaar van internationale terroristen getuigt van een perverse prioriteitenlijst.

Obbema’s commentaar, zoals dat van vele Europese commentatoren, zet in op een politieke en juridische oplossing van de problemen in het Midden Oosten. In die visie wordt het uitsluiten van grondtroepen toegejuicht, omdat langdurige stabiliteit alleen zou kunnen komen na een hervorming van de Iraakse politiek en het mobiliseren van locale etnische groepen, zoals de Soennieten in Noord-Irak, in het verdedigen van hun eigenbelang. Buitenlandse militaire inmenging zou, zo menen de aanhangers van deze visie, alleen maar averrechts werken.

Dit punt is hevig omstreden. Deze week liet de opperste bevelhebber van de Amerikaanse strijdkrachten, Generaal Martin E. Dempsey, weten dat hij grondtroepen helemaal niet uitsluit. Ook de tegenstanders van Amerikaanse grondtroepen geven toe dat enige ondersteuning van en coordinatie door militairen op de grond nodig zijn om de Amerikaanse bombardementencampagne te doen slagen, maar zij benadrukken dat “locale groepen” daarvoor moeten worden aangesproken. Wie daarmee wordt bedoeld is onduidelijk, want er zijn weinig goed getrainde groepen in Noord-Irak. Van de gematigde Syrische rebellen zijn er nu nog te weinig over om in Syrië veel te kunnen bijdragen.

Daarom zijn veel militaire experts van mening dat Obama’s strategie een wensdroom is die niet veel kan produceren. Militaire historici Fred en Kimberly Kagan schamperden in een reactie dat een dergelijke aanpak niet aansluit bij de realiteit: “Obama wil een anti-terrorisme-strategie gebruiken in een guerilla-oorlog. Dat heeft geen enkele kans op success.” Ook voormalig staatssecretaris voor defensie Bing West gelooft dat ten minste een beperkt aantal onderdelen van de Amerikaanse Special Forces zullen moeten worden gestuurd.

Zonder uitzicht daarop is Obama’s strategie een halve maatregel die op de lange termijn een stuk duurder zal kunnen uitvallen, zowel in geld als in menselijk bloed, dan een stevige militaire inzet nu. Het achteloze taalgebruik van President Obama over IS -- eerder dit jaar noemde Obama IS vrij vertaald de“reservebank van een schoolvoetbalteam” -- suggereert dat de Amerikaanse regering de militaire en terroristische dreiging van IS niet serieus neemt.

Een beschouwing van Obama’s temperament als president toont aan dat hij geen interesse in buitenlandbeleid heeft. Hij voelt zich primair geroepen om Amerika’s binnenlandse politieke bestel grondig te hervormen -- de “fundamental transformation of America”, zoals hij het tijdens zijn verkiezingscampagne van 2008 noemde -- met een groter macht voor de centrale overheid en een uitbreiding van de verzorgingsstaat en strakkere regulering van de economie.

Van dat project is overigens weinig terecht gekomen. De meeste plannen zijn verzand in een gebrek aan precieze uitwerking en in de alsmaar complexer wordende warboel van Amerika’s federale bureaucratie, waarin Obama’s eigen functionarissen te vaak persoonlijke belangen en die van de politieke partij de boventoon hebben laten voeren. De beschamende incompetentie en corruptie die zichtbaar werden bij het opzetten van Obamacare, wat hét symbool van een socialer Amerika onder Democratische leiding had moeten worden, zijn in plaats daarvan de beste karakterschets van een overmoedige en slordige politieke beweging die niet het geduld kon opbrengen om met verstand en consensus een prangend maatschappelijk probleem op te lossen.

Die elitaire, “wij-weten-alles-beter”-instelling blijft het beleid van Obama domineren en verklaart waarom de president op buitenlands gebied behalve de liquidatie van Osama bin Laden op geen enkel success kan bogen. En waarom de relatie met de Republikeinse oppositie in het Congres zo verzuurd is: de tamelijk grove praktijken die door Obama en zijn kompanen in de Senaat (en in 2009 en 2010 ook in het Huis) zijn aangewend sloten de Republikeinen bijna geheel uit van deelname aan de besluitvorming. Dat zorgde ervoor dat verbitterde Republikeinen in januari 2011, toen ze de meerderheid in het Huis kregen, een harde politiek van obstructionisme zijn gaan voeren: als noodrem op de voortdurende machtspolitiek door Obama en Democratisch senaatsvoorzitter Harry Reid, en natuurlijk ook uit revanchisme.

Die obsessie met interne politiek heeft ertoe geleid dat een aantal belangrijke booswichten in de wereld -- men denke met name aan Vladimir Poetin, maar ook de leiders van Iran, Noord-Korea, Syrië en de vele terroristencellen -- Obama als militaire macht niet meer serieus nemen. Daar komt nog bij dat President Obama er alle blijk van heeft gegeven dat hij gelooft in enkele extreem-linkse theorieën, zoals Howard Zinns historische visie of de Critical Race Theory van Derrick Bell, Obama’s rechtendocent aan Harvard. In die visies is Amerika een welhaast onredbaar zondige, militarische natie die al sinds de Stichting niets dan misdaden tegen de mensheid, met name minderheden en niet-Westerse bevolkingsgroepen, begaat. De problemen in het Midden-Oosten zijn direct toe te schrijven aan specifieke Amerikaanse acties en het ontstaan van Al-Qaeda is het gevolg van Amerikaanse misstappen.

Verlossing van die zonde is alleen mogelijk door een publiek boetekleed jegens benadeelde minderheden en een vrijwillig terugschroeven van inmenging in internationale aangelegenheden tot het niveau van, zeg maar, België, Estland, of Nepal. Die Verlossing wordt nu door Obama, in 2008 openlijk bejubeld als de politieke Messias die Amerika uit de zonden van acht jaren Republikeins bestuur zou verlossen, uitgevoerd.

Dit complex aan factoren heeft geleid tot de zeer onbevredigende strategie die President Obama nu heeft aangekondigd. Met bombardementen zal veel kunnen worden bereikt, maar een definitieve oplossing kan het niet zijn. Dat Obama met zo’n halfbakken plan komt -- bovendien met de waarschuwing dat volledige uitvoering zo’n drie jaar kan duren, waarmee hij het dus op het bordje van zijn opvolger schuift -- en ook nog eens vele maanden nadat de veiligheidsdiensten hem hebben gewaarschuwd over de groeiende dreiging is meer dan betreurenswaardig. Dit plan kan op de lange termijn niet lukken en dat zal de wereld duur komen te staan.

woensdag 27 augustus 2014

Obama's eindeloze vakantiekiekjes op de golfbaan

Barack Obama op de golfbaan. Foto van Talk Radio News Service via Flickr.

Terwijl de wereld brandt, staat de president aldoor op de golfbaan. Dat is zo’n beetje de samenvatting van de kritiek op president Obama deze maand. De voorzitter van de Republikeinse partij, Reince Priebus, laakte de president voor een gebrek aan serieus gedrag op een moment dat er zowel in eigen land (Ferguson) als in het buitenland kritieke ontwikkelingen gaande zijn (Oekraïne, Gaza, de onthoofding van een Amerikaanse journalist door ISIS).

Het kan u ontgaan zijn, maar de Republikeinse media staan al weken vol met verzuchtingen over het pijnlijke beeld dat Obama schept door zichzelf geregeld te laten fotograferen met een golfclub in zijn handen, terwijl Amerika en de wereld, volgens hen, juist ferme taal van een man in een zakelijk pak verwacht. “Obama’s eindeloze vakantie,” schreef Matthew Continetti in het conservatieve tijdschrijft National Review.

De kritiek komt echter niet alleen van Republikeinen. Komiek Jimmie Fallon grapte in “The Tonight Show” dat de president wel erg weinig in het Witte Huis wordt gezien en dat mensen hem toeroepen weer aan het werk te gaan. Maar ook de New York Times, doorgaans een Democratisch mediabastion, moest in een artikel toegeven dat het er toch wat wrang uitziet als het avondnieuws tegelijk gruwelijk nieuws over een hele reeks kritieke situaties brengt en dan afsluit met vrolijke vakantiekiekjes van een luierende president.

Er is intussen een debat losgebarsten over de vraag of de critici niet overdrijven. De schrijvers van dat New York Times-artikel merken op dat alle presidenten leren om zichzelf emotioneel af te schermen van de hardvochtige beslissingen die zij -- en alleen zij -- moeten maken. Het linkse blog Huffington Post voegt daar aan toe dat president Reagan, zo vereerd door Republikeinen, in de jaren tachtig minstens zo lomp en lui was als Obama, door tijdens verscheidene crises stug te weigeren van de golfbaan of van zijn paard te komen of zelfs maar zijn pyjama uit te trekken en aan het werk te gaan.

Dat is allemaal best redelijk als antwoord op de kritiek, vooral als je bedenkt dat president Obama veel minder vakantietijd als zijn voorganger heeft genomen. Volgens Mediaite nam George W. Bush drie keer zoveel vakantie. De oneerlijke aandacht voor Obama’s voorliefde om zijn stress op de golfbaan af te reageren wordt zeker mede-veroorzaakt door het feit dat Bush in 2003 besloot niet meer te golfen, om te voorkomen dat er foto’s van een golfende president zouden worden gepubliceerd op dagen dat er veel doden in Irak of Afghanistan vielen. Obama mag niet worden afgerekend op het feit dat hij zijn persoonlijke grenzen anders trekt.

Dus wie heeft er gelijk? Is het gezever over Obama’s golfspel echt overdreven en moeten Republikeinen, met de waarheid over Reagan en Bush in het achterhoofd, ophouden zo hypocriet te zijn? Mag Obama niet gewoon een rondje golfen?

Tja, als het een rondje hier of een rondje daar was, dan was dat nog tot daar aan toe? Als de president zich af en toe ook eens liet fotograferen in een serieus zakelijk gesprek, dan was de kritiek minder zwaarwegend. Maar Obama doet als Reagan en weigert de kritiek op zijn publieke image serieus te nemen. Het dominerende beeld van de president is dat van een luierende man en te vaak lijken staatszaken te moeten wijken voor alweer een rondje van zijn favoriete sport. Het enige andere 'werk' dat hij lijkt te doen is fondsen werven voor Democratische kandidaten in de aanstaande Congresverkiezingen. Dat andere presidenten ook lang hebben geweifeld om in crisistijd terug naar hun officiële kantoor in Washington, D.C. te komen betekent niet dat Obama de PR-blunders van zijn voorgangers moet herhalen.

De golf-affaire draagt bij aan een al bestaand kritisch beeld van Obama, namelijk dat van een afwezige president die weinig interesse heeft in het moeilijke werk van een president, een man die zelfs wegloopt van zijn kantoor op het moment dat er een flinke stapel werk ligt te wachten. Van dat beeld moet Obama zich bewust zijn. Dat hij daar lak aan lijkt te hebben, spreekt, alle mooie praatjes te zijner verdediging ten spijt, niet in zijn voordeel. Het zegt wel degelijk iets over het karakter van de zogenaamd machtigste man ter wereld, zodat de vraag gesteld mag worden: Wie past er op de winkel, terwijl de president buitenspeelt?

woensdag 20 augustus 2014

Volkskrant: Wanneer professioneel journalisme oppervlakkig betekent

Het artikel van Martin Sommer in de Volkskrant van afgelopen weekeinde ('Journalisten denken dat ze objectief zijn, maar publiek vindt van niet') is me uit het hart gegrepen. Aan het voorbeeld van de berichtgeving over Gaza illustreert Sommer hoe professionele berichtgeving -- d.w.z. met de beste bedoelingen en onder inhouding van de hoogste journalistieke standaards -- toch resulteert in bevooroordeelde berichtgeving.

Dat de journalistiek in Nederland (en in het Westen in het algemeen) doordrenkt is met ideologische vooroordelen wordt al decennia ontkend door de journalisten zelf. Immers, het repliek luidt: Hoe kan een objectieve weergave van hetgeen wordt waargenomen nu bevooroordeeld zijn? Sommer vat het verweer van de journalisten zo samen:
Laten we een hooglopend voorbeeld nemen: hoe zou het komen dat de progressieve kranten en actualiteitenrubrieken allemaal sympathiseren met de Palestijnen? Dit zal iedere journalist en zijn medium heftig ontkennen, en ik denk bovendien naar eer en geweten. Alle betrokkenen streven vast en zeker naar evenwichtige verslaggeving, zie de Ombudsvrouw van afgelopen zaterdag.
Het is zeker een eerlijk antwoord, maar het is evenzo naïef. De moderne drang om niet alleen maar journalistiek te bedrijven, maar te streven naar "berichtgeving" heeft zo van het middel het doel gemaakt. De moderne media zijn slaven geworden van dat tamelijk oppervlakkige middel en zo worden alle gebeurtenissen naar beste kunnen verslagen, zonder de reflectie over de vraag of over alles ook moet worden bericht. De kritische beoordeling waar de accenten moeten worden gelegd is steeds minder onderdeel van de taak van journalisten en wordt overgedragen aan redacteuren die zich op hun beurt m.i. teveel blind staren op de technische aspecten van de berichtgeving. De journalistiek van vandaag is allergisch geworden voor die kritische zelfreflectie, omdat het de postmoderne mens teveel aan die ouderwetse ideologieën van de twintigste eeuw doet denken. Geen ideologische vooringenomenheid, is tegenwoordig het devies. Objectiviteit in de berichtgeving betekent: "Alles berichten, zo evenwichtig mogelijk, en de lezer of kijker beslist wel het het moet worden geïnterpreteerd."

Die visie op de journalistiek is verwerpelijk. Sommer zegt over die visie: "Prima, maar dat kun je ook opvatten als het over de heg gooien van journalistieke halffabricaten met de mededeling dat de lezer het zelf maar uitzoekt." En dat is het probleem. Omdat de journalistiek geen context meer brengt, wordt de lezer of kijker door de journalisten in het diepe gegooid, zonder dat de dames en heren journalisten de consument waarschuwen hoe diep het is. Vaak weet de consument niet eens dat hij zich in diep water bevindt. De aanbidding van de professional, de technocraat -- overigens geen teken speciaal van deze tijd, maar wel een ernstig probleem tegenwoordig -- leidt ertoe dat veel burgers berichtgeving niet meer zelf verwerken of kritisch herkauwen, maar als hapklare brokken slikken. De trotse bewering van journalisten dat ze immers professioneel werken neemt de consument aan als verzekering dat het allemaal al gewogen en bijgeschaafd is en dat er niet meer over te twisten valt. Zo verliest Nederland een onafhankelijke pers die het waard is om die titel te dragen. Wie niet meer nadenkt of de beschreven ontwikkelingen wenselijk zijn of niet, kan net zo goed niks berichten. 

De kunstmatige scheiding in de media tussen de nieuwsredactie en de opinieredactie degradeert opiniejournalistiek. Wat er op de opiniepagina wordt geschreven -- zelfs als bijdragen komen van uitgenodigde experts op bepaalde thema's -- is tegenwoordig bij voorbaat verdacht. De mens, altijd geneigd tot simplistisch binair en zwart-wit denken, is het label "opinie" boven de pagina gaan opvatten als een tegenstelling tot "nieuws." Met dat label waarschuwt de krant dat de lezer zich niet langer aan de leidende hand van de professionele journalist bevindt, maar zich op eigen gevaar buiten de betreden paden bevindt, in een land waar amateurs zonder dezelfde journalistieke training er maar op los schrijven. Erger nog: op de opiniepagina's verschijnen artikelen waarin de lezer wordt uitgedaagd om stelling te nemen voor of tegen maatschappelijke standpunten, waarin auteurs argumenten aandragen die niet te rijmen zijn met de scenario's die de journalisten van de nieuwspagina's de lezer misschien wel op de vorige pagina heeft voorgeschoteld. De opiniepagina is voor politici en niemand vertrouwt politici.

Nederland is zeker niet het enige land dat hiermee kampt. In 2005 publiceerden de economen Tim Groseclose en Jeffrey Milyo van UCLA een baanbrekende studie "A Measure of Media Bias" (in The Quarterly Journal of Economics, band 120, nr. 4, blz. 1191-1237), waarin in wezen de dood van een onafhankelijke pers in de Verenigde Staten wetenschappelijk werd vastgesteld. (Ondanks veel razende reacties op blogs is er naar mijn weten nog geen wetenschappelijke studie gepubliceerd die de conclusies van Groseclose en Milyo weerlegt.) De o-zo professionele Amerikaanse pers is zo bevooroordeeld dat meer dan 90 procent van de politieke verslaggevers in Washington zelf zegt Democraat of links-progressief te zijn en de studie suggereert dat het overgrote merendeel van die verslaggevers zelfs radicaal links zijn, veel linkser dan de doorsnee-Democratische politicus. Objectief berichten betekent voor veel Amerikaanse verslaggevers dat ze kennis nemen van alles wat zich rechts van hen bevindt, hetgeen bijna het gehele politieke spectrum is; dat kan onmogelijk tot een evenwichtige berichtgeving leiden over wat heel het land bezighoudt.

Het trieste is dat veel journalisten weinig weten. Ze geloven na zes maanden in een bepaald land te begrijpen hoe het land, de politiek en de cultuur in elkaar zitten en geven zich ook geen rekenschap van het feit dat ze die zes maanden alleen maar hebben gezien wat hun met hun Nederlandse ogen opvalt (meestal omdat het zo anders is dan in het vertrouwde kikkerlandje aan de Noordzee). Erger nog is het met auteurs die enkel tweede-handskennis van een buitenland of een thema bezitten. Ik lees met enige regelmaat bijdragen van een zogenaamde kenner van de Verenigde Staten die het presteert om een hele reeks correcte feiten op te sommen en daar dan een conclusie aan te verbinden die geen Amerikaan zou kunnen begrijpen. Het is moeilijk om boos op de man te worden, omdat er van geen enkele kwade opzet sprake is en omdat hij zelfs over een indrukwekkende feitenkennis over de VS beschikt.

Maar zelfs de beste bedoelingen zijn maar een gedeeltelijke verzekeringspolis tegen bevooroordeling. De institutionele processen in de moderne media nodigen journalisten niet meer uit kritisch na te denken over hetgeen ze berichten. En te vaak worden onkundigen tot experts verheven, omdat ze journalist zijn.

Zucht.

zondag 17 augustus 2014

De voorbedachte moord op Amerika's steden

Demonstratie in Washington tegen het politiegeweld in Ferguson, Missouri, 14 augustus 2014
Elvert Barnes via Flickr (CC)
Kevin D. Williamson legt in een artikel voor National Review Online uit waarom gemeentes als Ferguson, Missouri, waar deze week hevige protesten tegen brutaal politiegeweld uitbraken, er zo slecht aan toe zijn. Hij beschrijft Ferguson, een klein stadje van net meer dan twintigduizend inwoners, als volgt:
Ferguson was hardly a happy suburban garden spot until the shooting of Michael Brown. Ferguson is about two-thirds black, and 28 percent of those black residents live below the poverty line. The median income is well below the Missouri average, and Missouri is hardly the nation’s runaway leader in economic matters. More than 60 percent of the births in the city of St. Louis (and about 40 percent in St. Louis County) are out of wedlock.
 Williamson hangt zijn verhaal op aan de protestaties van de beroemde (beruchte) burgerrechtenactivist Jesse Jackson. Dit heerschap duikt steevast op als er ergens in Amerika een brandhaard van geweld is waar zwarte Amerikanen op de een of andere manier het slachtoffer zijn of zelfs maar als slachtoffer zouden kunnen worden voorgesteld gegeven de 'juiste' interpretatie. Het verbaast dan ook niet dat Jackson, in de nasleep van het neerschieten van de zwarte Michael Brown, de mediamicrofoon heeft gegrepen om te ageren tegen het brede racisme in Amerika's politiediensten.

In zijn artikel stelt Williamson een vraag aan Jackson: Wie is er al decennia lang de baas in al die rampsteden met al die hoge criminaliteit en kapotte binnenwijken? Newark (New Jersey), Chicago, Detroit, Los Angeles en nog meer?
The answer is: People who see the world in much the same way as does the Reverend Jackson, who take the same view of government, who support the same policies, and who suffer from the same biases.
Dat is een belangrijk feit. Er bestaat een enorm grote correlatie tussen al die probleemstatistieken en de aanwezigheid van bestuur door kompanen van Jackson en andere gelijkdenkende links-progressieve welvaartsstaat-bureaucraten. Het ergste schrikbeeld voor Amerika's toekomst -- en tegelijk het beste voorbeeld van wat er gebeurt als de corrupte vleugel van links Amerika aan de macht komt -- is Detroit, Michigan. Ooit de rijkste stad ter wereld is de stad door decennia lang wanbestuur door corrupte Democratische burgemeesters en stadsbesturen compleet vernietigd. Ongeveer de helft van de bevolking is sinds de hoogtijdagen in de jaren vijftig en zestig uit de stad gevlucht, de economie is volledig vermorzeld, de gewelddadige criminaliteit is torenhoog, hele straten, wijken  en fabrieksterreinen staan vol met verlaten en vervallen gebouwen. Dit allemaal omdat Democratische machtswellustelingen de publieke kas geroofd hebben om hun eigen zakken en die van hun vrienden te vullen. Allerlei soorten belastingen en leges zijn sinds de jaren zeventig omhoog gekrikt om het bodemloze gat in de stadskas te vullen, zodat leven en werken in de stad snel onbetaalbaar werden.

Hetzelfde gebeurt overal in de VS. Overal waar Democraten alleen aan de macht zijn gekomen zijn de publieke voorzieningen achteruit gegaan en is de inkomensongelijkheid enorm gegroeid. Het is een onvermijdelijk gevolg van de bestuursfilosofie van de radicale linkse stroming die sinds begin jaren zeventig de Democratische partij is gaan beheersen, een visie waarin Moedertje Staat voor alles dient te zorgen, zodat de belangen van alle andere privé-partijen, zowel burgers als bedrijven, ondergeschikt worden gemaakt aan de belangen van "de Staat." In de praktijk betekent dat dat kleinere en grotere dictators binnen het almaar groeiende staatsapparaat, zowel op locaal als regionaal en landelijk niveau, naar eigen goeddunken beslissen wat het beste voor de samenleving is en Jan Modaal heeft het maar te slikken.

Het is nu al jaren chic om, op ouderwetse Marxistische wijze, Republikeinen en hun vermaledijde liefde voor kapitalistische economische theorieën verantwoordelijk te houden voor het plunderen van publieke voorzieningen. Williamson toont aan dat het juist Democraten zijn geweest die de meeste verantwoordelijkheid dragen voor de groeiende economische en sociale achterstand van precies de mensen die zij tot hun eigen achterban rekenen.

zaterdag 16 augustus 2014

Hillary’s breuk met Obama verstevigt haar positie voor 2016

Het interview dat Hillary Clinton afgelopen weekeinde aan Jeffrey Goldberg van The Atlantic gaf was een flinke bijdrage aan haar nog altijd officieuze campagne voor het presidentschap in 2016. Dat Clinton binnen afzienbare tijd ook officieel in de race zal stappen betwijfelen steeds minder mensen, ook al blijven sommige conservatieve complottheoristen (zoals Karl Rove) nog steeds geruchten over haar zogenaamd fragiele gezondheid herhalen. De recente publicatie van Clintons memoires van haar tijd als minister van buitenlandse zaken (Hard Choices) liet daarover al weinig twijfels bestaan, ook al wordt het boek door veel politieke kenners als een inhoudelijk zeer zwak document omschreven.

Het interview met Goldberg deed politiek Washington kortstondig op zijn grondvesten schudden, want Clinton laat geen spaander heel van het buitenlandbeleid van haar voormalige baas Barack. Dat is wel enigszins bevreemdend, want Clinton was als minister van buitenlandse zaken natuurlijk het gezicht van het beleid waarvan ze zich nu distantieert. Het interview is zo kritisch op de president dat het conservatieve opinieblad The Weekly Standard onderdelen van Clintons interview integraal als “gastcommentaar” afdrukt, met een proefbaar leedvermaak over de interne strijd tussen Clinton en Obama.

Clinton legt de vinger precies op de wond van Obama’s buitenlandbeleid: d.w.z. er is geen samenhangend beleid. “Great nations need organizing principles and ‘Don’t do stupid stuff’ is not an organizing principle,” zegt ze. Daarmee zegt ze open en bloot wat elke weldenkende Amerikaan al zes jaar vindt: de president praat tenenkrommend veel in clichés, maar het ontbreekt hem aan echte inhoud. Terwijl de wereld in 2008 genoeg had van het militaristische buitenlandbeleid van George W. Bush, kan men nu simpelweg geen kritiek leveren op de richting van Obama’s buitenlandbeleid, omdat dat beleid geen enkele richting of inhoud heeft, afgezien dan van Obama’s allergische hekel aan buitenlandbeleid. Door die onwil van de president om zich intellectueel met het buitenland te bemoeien, zo meent Clinton, hebben de schurken van de wereld vrij spel gekregen. Irak en Syrië zijn door het islamistische ISIS (tegenwoordig gewoon “de Islamitische Staat” of IS) bijna volledig ontmanteld, omdat Obama het te druk op de golfbaan had om een proactieve strategie tegen IS te ontwikkelen.

De voormalige First Lady en minister van buitenlandse zaken loopt zo het rijtje blunders van Barack Obama langs (Iran, Israël, Syrië, Oekraïne) in een overduidelijke poging zichzelf neer te zetten als de gepasseerde expert en een nieuwe, andere richting voor 2016. Daarmee probeert ze handig gebruik te maken van het brede sentiment onder de bevolking dat de president gefaald heeft en zo met een eigen alternatief beleid de wind uit de zeilen van de Republikeinen te nemen.

Of dat uiteindelijk effectief zal zijn zal moeten blijken. Dat ze zelf jaren als minister verantwoordelijk was voor dit beleid betekent dat een tamelijk bittere pil zal zijn om deze boodschap aan het Amerikaanse volk te verkopen en Republikeinen zullen het zeker niet nalaten om de kiezers eraan te herinneren dat ze datzelfde mislukte beleid op bepaalde punten met hand en tand heeft verdedigd. Haar gepassioneerde verdediging van de blunders in Benghazi tijdens een hoorzitting in het Congres -- één van de meest arrogante en schofferende optredens van eender welke politicus in de geschiedenis van de VS -- kan voldoende blijken om Amerikanen eraan te herinneren wie Clinton ook alweer is: jawel, de wederhelft van de gladde Bill Clinton die de afgelopen vijftien jaar alle integriteit heeft opgeofferd om het imago van de Clinton-merknaam op te krikken, de familieschandalen (Monica Lewinsky, Whitewater, Hillarycare) onder het tapijt te vegen en haar eigen positie in de politiek te verstevigen.

Hillary Clinton is een gewiekste politica die de afgelopen maanden verwoede pogingen doet om een positie te verwerven als staatsvrouw en gedegen kandidaat voor het Witte Huis in 2016. De dosis hypocrisie die nodig is om dat beeld van haar te scheppen is niet klein.

woensdag 13 augustus 2014

De schoothond van Obama blaft alleen naar Republikeinen

Eén van de meest zorgelijke aspecten aangaande de toestand in het Amerikaanse democratische bestel is de manier waarop het land een onafhankelijke pers grotendeels verloren heeft. De Nederlandse pers blijft klakkeloos berichten uit de Amerikaanse media overnemen, zonder zich rekenschap ervan te geven dat de ideologische (politieke) diversiteit in de Amerikaanse media de laatste decennia schrikbarend is verminderd. Het boek Left Turn (2011) van UCLA econoom Tim Groseclose en zijn wetenschappelijke studie "A Measure of Media Bias" uit 2005 in The Quarterly Journal of Economics (samen geschreven met Jeffrey Milyo) waarop dat boek is gebaseerd hebben al afdoende aangetoond dat alle grote kranten, de drie grote tv-zenders (ABC, NBC, CBS) en twee van de drie populaire nieuwszenders op de kabel (CNN en MSNBC) al grotendeels zijn gelijkgeschakeld: ze zijn in wezen schoothonden van president Obama. (Groseclose verklaart niet, hoe dat zo is gekomen, maar de lange reeks voorbeelden en de wetenschappelijke berekening van de ernst van deze scheve verhoudingen blijven tot op heden onweerlegd door andere wetenschappers.)

Verscheidene mediawaakhonden houden eveneens een oogje in het zeil. Gisteren publiceerde L. Brent Bozell II, directeur van de conservatieve mediawaakhond Media Research Center, een artikel in National Review Online waarin hij een verdere reeks voorbeelden van de schaamteloze bevooroordeling van de media in het voordeel van de Democraten aanvoert. Bozell beschrijft de manier waarop de Amerikaanse media de afgelopen jaren over schandalen rond politici hebben bericht.

Zijn conclusie: als het schandalen door Republikeinen betreft, is de berichtgeving prompt en breed uitgemeten en steevast wordt onderstreept dat de desbetreffende politicus een Republikein is. Soms doet men er nog een schepje bovenop en vraagt men zich hardop af of de Republikeinse partij ooit nog de klap van dit schandaal te boven zal komen.

The previous month, Senator Larry Craig of Idaho had been arrested at the airport in Minneapolis for the infamous toe-tapping men’s-room solicitation. When the news became public in August, the networks jumped on the story. Every morning and evening news show pointed out he was a Republican. On NBC’s Today, Lauer drilled further, tying him ideologically to conservatives. “Can the right wing withstand yet another scandal involving one of its own?”
Als het echter Democraten betreft is de berichtgeving erg summier of zelfs volledig afwezig. Tot nog toe heeft geen van de drie grote tv-zenders bericht dat senator John Walsh (Democraat van Montana) zich vanwege een plagiaat-schandaal heeft teruggetrokken als kandidaat voor herverkiezing. Wie dus voor zijn nieuwsvergaring afhankelijk is van de drie etherzenders weet niet eens dat er een schandaal is.

In andere schandalen rond Democratische politici wordt gemakshalve zelden vermeld dat het om Democraten gaat. Bijvoorbeeld:
  1. De Democratische burgemeester van San Diego Bob Filner moest in 2013 aftreden na meerdere beschuldigen van aanranding van vrouwelijke ondergeschikten. Alleen CBS liet de kijker weten dat de man Democraat was.
  2. De Democratische burgemeester van Detroit Kwame Kilpatrick werd in 2008 veroordeeld voor meineed en belemmering van de rechtsgang. ABC en NBC hebben nooit in ook maar een enkel bericht vermeld dat Kilpatrick een Democraat is.
  3. De Democratische gouverneur van Illinois Rod Blagojevich zit momenteel ook langdurig in de cel, vanwege corruptie (waaronder de poging om de senaatszetel die Barack Obama afstond om president te worden voor de hoogste prijs te verkopen). Geen van de drie zenders (ABC, NBC en CBS) hebben ooit vermeld dat Blagojevich een Democraat is -- in geen enkele nieuwsuitzending over de ether sinds 2009.
  4. De Democratische afgevaardigde William Jefferson (Louisiana) werd in 2009 veroordeeld voor omkoping, afpersing en fraude. ABC vermeldde zijn partij één keer, CBS en NBC hebben het nooit genoemd.
  5. De voormalige Democratische gouverneur van New Jersey Jon Corzine moest in 2011 aftreden als hoofd van het bedrijf MF Global, omdat hij honderden miljoenen dollars van cliënten "kwijt" was geraakt. ABC heeft er nooit over bericht, terwijl CBS en NBC nooit over zijn partijlidmaatschap hebben gerept.
  6. De voormalige Democratische afgevaardigde Jesse Jackson Jr. (Illinois), zoon van de beroemde burgerrechtenactivist, werd in februari 2013 aangeklaagd voor het verduisteren van $750.000. Geen van de drie tv-zenders deden moeite om hem als Democraat te benoemen.
Enzovoorts. 

Bozell is niet de eerste de beste; zijn Media Research Center houdt nauwkeurig de inhoud van alle nieuwsuitzendingen van de drie commerciële etherzenders bij en zijn artikel put dan ook uit de statistieken van het instituut.

Dergelijke conclusies weerleggen de vage veronderstelling in Europa dat Amerika een door conservatieve elites gedomineerd land is waarin Democraten tegen een overmacht moeten vechten om ook maar enigszins sociaal beleid te kunnen doorvoeren. In tegendeel: de Democraten beheersen de overgrote meerderheid van de persberichtgeving over politiek en bepalen dus het merendeel van het mediabeeld dat het land (en de wereld) van Amerika heeft.

Denkt u daar eens aan als u de volgende keer in de Nederlandse krant leest dat Republikeinen volgens deze of gene Amerikaanse media weer een snood plan ten uitvoer hebben gebracht.

vrijdag 28 februari 2014

De broeiende Republikeinse Burgeroorlog

Met het begin van het voorverkiezingsseizoen in de Verenigde Staten is de ideologische strijd binnen de Republikeinse partij in alle heftigheid losgebrand. Voor veel Tea Party-leden is de maat vol: zij zijn niet van zinnen zich in november door de partijleiding opnieuw af te laten schepen met zouteloze gematigde kandidaten voor de dan te houden Congresverkiezingen.

Deze ideologische harde kern vindt dat de partijleiders – de ‘gevestigde orde’ zoals men hen denigrerend noemt – te vaak met de Democraten heulen en niet echt voor conservatieve principes staan. Misnoegde Tea Party’ers richten daarom in de voorverkiezingen hun pijlen op John Boehner, de Republikeinse voorzitter van het Huis van Afgevaardigden, en Mitch McConnell, de Republikeine oppositieleider in de Senaat, in de hoop hen te vervangen door conservatievere kandidaten.

Deze samenzweerderige visie van Washington dreigt de kansen van de Republikeinen in 2014 (en in 2016) te beschadigen. Het doet ook geen recht aan de verdiensten van Boehner, McConnell en anderen in de partijleiding die de afgelopen jaren vanuit een minderheidspositie de scherpste kantjes van het Democratische beleid wisten af te halen. Onbezonnen wetsvoorstellen waar Democraten op korte termijn politiek voordeel uit konden halen werden geblokkeerd, waaronder een strenge maar ongrondwettelijke vuurwapenwet en een immigratiewet zonder handhavingsmechanisme. Ook hebben Boehner en McConnell de president tot minder roekeloos financieel beleid gedwongen.

Wat Boehner en McConnell niet hebben gedaan is deelnemen aan de politieke chantage van stokebrand Ted Cruz (Republikeins senator uit Texas), die afgelopen herfst de regering over een begroting gijzelde en deze maand concessies van Obama eiste alvorens in te stemmen in een hoger schuldenplafond. Boehner en McConnell zien in dat zulke veldslagen onwinbaar zijn gegeven hun zwakke machtsbasis en kiezen daarom voor tactische terugtrekking en compromis. De opiniepeilingen na de sluiting van de federale overheid afgelopen herfst bevestigden hun wijsheid: woedende burgers gaven Republikeinen de schuld voor het ongemak van de sluiting van de federale overheid.

Ook in de denktanks en conservatieve media woedt de strijd om de ziel van de Republikeinse partij. In een column voor National Review was econoom Thomas Sowell flink gebelgd over de wens van Cruz om Boehner en McConnell te wippen: “De meest welwillende interpretatie van Ted Cruz en de zijnen is dat ze de Republikeinse partij op de korte termijn willen verzwakken in de hoop dat ze haar op de lange termijn als een gereinigde conservatieve partij op het juiste spoor kunnen zetten.” Sowell heeft gelijk: uitschakeling van kandidaten die ‘onvoldoende puur’ zijn in partij-interne voorrondes vergroot het risico op Democratische zeges in de algemene verkiezingen in november.

De partij worstelt met de vraag: hoe maximaliseer je de kansen op electoraal succes? Want als de partij echt iets wil doen aan wanbestuur moet ze maar verkiezingen winnen. En dat is een kwestie van tactiek, inschatting en geduld.

De strijd in de partij is niet echt tussen gematigden en extreem-rechts, maar tussen puristen en realisten. De twee kampen verschillen nauwelijks op ideologisch niveau, maar de Tea Party’ers hebben weinig geduld met de realisten, die zij al te gemakkelijk voor slappelingen en verraders uitmaken.

Boehner en McConnell zijn in deze moeilijke tijden voor het conservatisme in Amerika wijze leiders. In de wetenschap dat Amerikanen met name door het fiasco Obamacare op de president en zijn partij zijn afgeknapt zijn zij content met kalmte en afwachten. Er wordt in de denktanks hard gewerkt aan een goedomlijnde politieke visie, iets wat in 2012 node ontbrak.

De provocerende acties van Ted Cruz en zijn medestanders dreigen de partij juist nodeloos in allerlei ideologische en controversiële debatten te storten, iets waarbij alleen Democraten garen spinnen.

donderdag 9 januari 2014

Boek van Gates schetst een ongeïnteresseerde Obama

Het nieuwe boek van voormalig minister van defensie Robert Gates met de eenvoudige titel Duty (“Plicht”) baart veel opzien in Washington. Gates geldt onder zowel Republikeinen als Democraten als een kundige, objectieve man en als één van de beste ministers van defensie sinds de Tweede Wereldoorlog. Dat juist hij zo’n kritisch boek over president Obama schrijft komt hard aan.

Het boek van Gates is erg emotioneel. Zijn intense liefde voor de strijdkrachten en zijn frustraties over president Obama, die volgens hem geen greintje sympathie voor de soldaten aan het front had, speelden mee in zijn beslissing in 2011 om ontslag te nemen. Zijn emoties begonnen zijn beoordelingsvermogen in de weg te zitten.

Het boek staat vol van kritiek op politiek Washington en dat beperkt zich niet tot de regering Obama. Over zijn tijd onder diens voorganger merkt Gates op dat vice-president Cheney wel degelijk op zoek leek te zijn naar een onnodig militair conflict in Iran. En terwijl Gates veel van de noodmaatregelen van Bush na 11 september 2001 begrijpelijk vond, raakte hij gaandeweg toch gefrustreerd dat Bush die in de loop der jaren niet systematisch herzag om dwalingen zoals het martelen en het geheime uitleveren van gevangenen uit te bannen.

Ook heeft Gates weinig geduld met parlementariërs die alleen maar oog hebben voor hun eigen herverkiezing. Veel senatoren zijn volgens hem hypocriete windbuilen en leden van het Huis van Afgevaardigden noemt hij “onbeschoft, gemeen en dom.”

Het meest spraakmakende van het boek is echter de kritiek op president Obama. Gates beschrijft een president die weliswaar lang delibereert – in tegenstelling tot Bush, die zich moeilijk van diepe overtuigingen liet afbrengen – maar die volkomen ongeïnteresseerd was in de missie. Met betrekking tot Afghanistan merkt Gates op: “De president [Obama] vertrouwt zijn bevelhebber in het veld niet, kan [president] Karzai niet uitstaan, gelooft niet in zijn eigen strategie en vindt het ook niet eens ‘zijn’ oorlog. Voor hem draait het alleen maar om terugtrekken.”

Ook vond Gates dat Obama zich teveel liet leiden door jonge, onervaren adviseurs uit zijn eigen kring ten nadele van de oudere experts, en dat vice-president Joe Biden de geest van de president vergiftigde door constant te herhalen dat militairen niet te vertrouwen zijn.

Het boek presenteert een enigszins tegenstrijdig beeld van president Obama, want naast presidentiële desinteresse en onkunde beschrijft Gates ook dat Obama herhaaldelijk, tegen advies van anderen in, de juiste tactische beslissingen heeft genomen. Maar in het boek is Obama ook een president die het verschil tussen strategie en tactiek niet kent en alleen maar over de korte termijn nadenkt. Het boek draagt flink bij aan het beeld van Obama als een zelfzuchtige, ongeïnteresseerde man die liever golf speelt dan regeert. Meer nog dan dat: Gates schetst een man die weinig eigen meningen heeft en zich te makkelijk door zijn adviseurs laat sturen.

Tenslotte krijgt ook Hilary Clinton, de gedoodverfde presidentskandidate in 2016, een flinke veeg uit de pan. Clinton gaf enkele jaren later in het bijzijn van Gates toe dat haar tegenstand tegen de inzet van meer soldaten in Irak in 2007 niets met militaire maar alles met electorale tactiek in de aanloop naar voorverkiezingen in Iowa te maken had. (De president gaf schoorvoetend toe dat dezelfde calculaties bij hem hadden meegespeeld.) De rasechte militair Gates was diep geschokt dat Clinton en Obama de levens van soldaten ondergeschikt maakten aan de stembus.

Rich Lowry, redacteur van het conservatieve opinieblad National Review, merkte droogjes op dat niemand echt verrast kan zijn over de onthullingen van Gates. Toch is het een schok om je argwaan over de machtigste man van de wereld door zo’n objectieve bron bevestigd te zien.

woensdag 1 januari 2014

Media VS voeren Democratische propaganda

Het artikel van David Kirkpatrick in de New York Times van 28 december jl. over de toedracht van de aanslag op het Amerikaanse consulaat in het Libische Benghazi in september 2012 heeft in Amerika voor opschudding gezorgd. Kirkpatrick maakt korte metten met de kritiek van Republikeinse politici die in de aanslag een actie van al-Qaeda zien en de regering Obama al meer dan een jaar betichten van incompetentie en het opzetten van een doofpotaffaire.

Kirkpatrick verwerpt die beschuldigingen. Volgens zijn eigen research klopt de versie van de regering Obama grotendeels: het was een actie uit onvrede over een beledigend anti-islamfilmpje op Youtube, in korte tijd georganiseerd door locale extremisten zonder directe banden met al-Qaeda.

Het artikel van deze gerenommeerde journalist is indrukwekkend, maar er klopt van alles niet aan. Thomas Joscelyn en Stephen Hayes van The Weekly Standard, die al sinds vorig jaar uitgebreid over de zaak berichten, vinden Kirkpatricks argumentatie ondeugdelijk. Ook twee vooraanstaande leden van de parlementaire commissie voor inlichtingen, een Democraat en een Republikein, spreken zijn conclusies tegen.

Kirkpatrick heeft ontegenzeggelijk veel werk verzet en nieuwe details aan het licht gebracht, maar de feiten die hij aanvoert kan de brede consensus van de inlichtingendiensten over de betrokkenheid van aan al-Qaeda gelieerde groepen niet weerleggen. Dat hij zijn conclusies niet aan de uitgebreide dossiers van de congressionele onderzoekscommissie verantwoordt is laakbaar. Daarom verdient zijn artikel dan ook niet de aandacht die het in de nationale en internationale pers heeft gekregen.

Conservatieve politici en journalisten zien in de publicatie van dit zeer controversiële artikel – op de voorpagina nog wel – en twee dagen later gevolgd door een ondersteunend redactioneel commentaar , een boude, aggressieve zet door linkse journalisten in een poging het besmette blazoen van Hilary Clinton in deze zaak te reinigen.

In veler ogen heeft Clinton zichzelf destijds als minister van buitenlandse zaken flink geblameerd door zeer twijfelachtig optreden in de maanden voor de aanslag (dringende verzoeken van de ambassadeur om meer beveiliging van het consulaat werden genegeerd), door geheimzinnigheid erna en door haar schofferende optreden voor de onderzoekscommissie in januari 2013. Desondanks is Clinton de gedoodverfde Democratische kandidate voor het presidentsschap in 2016.

Het zou helaas niet de eerste keer zijn dat Amerikaanse journalisten politiek werk voor de Democraten uitvoeren. Het tijdschrift Newsweek was in 2008 zo openlijk op de hand van kandidaat Barack Obama (die meerdere keren op de cover stond) dat critici schamperden over een omdoping van het tijdschrift tot Obamaweek.

Conservatieve journalisten klagen al sinds 2008 dat de pers veel te weinig kritische vragen aan Barack Obama en zijn kabinetsleden stelt. Slechts de onaflatende reeks blunders rond het inwerkingtreden van Obamacare dwingt enkele media de afgelopen maanden tot een beperkte mate van scepsis jegens de regering.

Het is een publiek geheim dat de politieke pers in groten getale op Democratische hand is. Peilingen onder journalisten in Washington geven aan dat 93 procent Democratisch stemt, en de meesten van hen geven het openlijk toe. Dat is een ongezond hoog percentage. Zo’n situatie leidt zelfs onder de beste omstandigheden tot onbedoelde zelfrecensie en eenzijdige berichtgeving. Het verhaal van Kirkpatrick toont dat perfect aan: ondanks zijn harde werk en brede kennis negeerde hij in zijn verhaal willens en wetens een aantal belangrijke aspecten, omdat ze niet in zijn persoonlijke straatje pasten.

Een vrije pers is onmisbaar voor het goed functioneren van een democratie. Met slechts enkele media die openlijk kritisch tegenover de Democratische partij staan (bijv. FOX News en de opinieredactie van de Wall Street Journal) is er nauwelijks nog sprake van een breed scala aan opinies in de Amerikaanse media. Dat draagt ongetwijfeld bij aan de politieke verharding in de VS. Het baart ook zorgen over de waarborging van de vrijheid.