woensdag 23 maart 2016

Presidentsverkiezingen 2016 blijven onvoorspelbaar

Illustratie: DonkeyHotey (Flickr, CC)
Ondanks het feit dat het veld kandidaten intussen drastisch is teruggebracht tot vijf personen (twee Democraten en drie Republikeinen), blijven voorspellingen over de uitkomst van de presidentsverkiezingen in november volledig onmogelijk.

Aan Democratische kant is intussen duidelijk dat Hillary Clinton de uiteindelijke kandidaat voor haar partij zal worden, aangezien Senator Bernie Sanders haar aantal gedelegeerden niet meer kan evenaren. Bij de “Grand Old Party” - de bijnaam voor de Republikeinen – blijft er onzekerheid vanwege de heftige afkeer van grote groepen Republikeinen jegens de koploper, miljardair en reality-tv-ster Donald Trump. Het uitblijven van een georganiseerd tegenantwoord op Trump binnen de partij zorgt ervoor dat Trump de voorverkiezingen blijft domineren en verder kan gaan met het vergaren van het grootste aantal gedelegeerden voor de Republikeinse partijconventie die in juli in Cleveland (Ohio) zal plaatsvinden.

Wie de uiteindelijke Republikeinse kandidaat is ondanks die duidelijke winst van Trump in veel staten nog helemaal niet duidelijk, omdat Trump zeer waarschijnlijk niet de drempel van 1.237 gedelegeerden zal halen. Volgens het partijregelement kan een kandidaat niet genomineerd worden met steun van minder gedelegeerden. Dat betekent dat er op de conventie meerdere stemrondes zullen plaatsvinden, waarbij gedelegeerden tussen de stemrondes uiteraard flink gepaaid worden door andere kandidaten in de hoop dat zij, na de eerste ronde bevrijd van hun verplichte steun aan de toegewezen kandidaat, hun steun naar een ander verschuiven. Dat kunnen in principe ook personen zijn die niet aan de voorverkiezingen hebben deelgenomen, of die al vroeg zijn afgehaakt. Het is met die dynamiek in het achterhoofd dat John Kasich, de gouverneur van Ohio die totnogtoe enkel in zijn thuisstaat kon winnen, nog in de race blijft: hij hoopt in juli in Cleveland in de tweede stemronde steun te kunnen winnen die groter is dan zijn uiteindelijk vergaarde aantal gedelegeerden.

In de tussentijd betekent de aanwezigheid van Kasich echter dat de anti-Trumpstemmen gesplitst worden, hetgeen in het voordeel van Trump is. Er wordt met de dag luider geroepen dat Kasich zijn campagne moet staken om de nummer twee, Senator Ted Cruz, een degelijke kans te geven om in de buurt van Trump te komen en hem zo het argument te ontnemen dat hij bij een relatief klein tekort aan gedelegeerden toch recht zou hebben op de nominatie.

Duidelijk is in ieder geval dat een nominatie van Donald Trump niet kan leiden tot zijn presidentsschap: alle peilingen wijzen uit dat hij van Hillary Clinton op beschamende wijze zou verliezen. Sommige analisten, die de demografische samenstelling van individuele staten goed hebben bekeken, beweren zelfs dat Clinton met minimaal 400 kiesmannen in het Electorale College een monsterzege uit de bus zou kunnen slepen. Daarnaast vrezen veel Republikeinse afgevaardigden en senatoren die in november op hetzelfde stembiljet als Trump staan dat zij het slachtoffer zullen worden van de anti-Trumpsentimenten in Amerika. Een president Hillary Clinton zou onder die omstandigheden zonder twijfel kunnen rekenen op een Democratische Senaat en het is zelfs mogelijk dat haar partij ook een meerderheid in het Huis van Afgevaardigden zou boeken. Daarmee zou ze nagenoeg vrij spel krijgen om het beleid van Barack Obama voort te zetten.

Ook voor de Republikeinse partij zien de gevolgen van een Trump-kandidatuur er niet erg rooskleurig uit. De nu al broeiende revolte zou tot uitbarsten kunnen komen. Onder erg ongunstige omstandigheden zou er een serieuze splitsing kunnen ontstaan, met de opkomst van een nieuwe conservatief-liberale partij, met als gevolg dat Democraten voor meerdere jaren gegarandeerd het Witte Huis kunnen bewonen, zolang de oppositie tussen twee partijen verdeeld blijft.

Aan de andere kant blijven Republikeinen nog hopen op spoedig nieuws vanuit het Ministerie van Justitie, dat al maanden het FBI-onderzoek tegen Hillary Clinton (voor het schenden van de wet op de staatsgeheimen) traineert in een poging Clinton zo over de verkiezingsdatum in november te helpen. Of het uitblijven van rechtsvervolging van Clinton politiek gezien veel beter is voor haar is te betwijfelen; toch kan ze in ieder geval rekenen op de steun van de belangrijkste media, die tot dusver weinig aandacht geven aan het FBI-onderzoek (of de parlementaire enquête onder leiding van Republikeins Afgevaardigde Trey Gowdy). Ondanks die radiostilte is het moeilijk voor te stellen dat de Republikeinse partij of aan de partij geliëerde belangenorganisaties in de zomer en herfst geen geld zullen besteden aan reclamespotjes om de aantijgingen jegens Clinton grotere ruchtbaarheid te geven. Als een andere kandidaat dan Trump tegenover Hillary op het kiesbiljet staat, is het heel goed mogelijk dat Clinton juist flink verliest.

Er zijn momenteel echter te veel plausibele scenario’s mogelijk die allemaal tot radicaal andere gevolgen leiden. Alle oude statistische modellen zijn dit verkiezingsjaar al volledig nutteloos gebleken, dus het zou waanzin zijn om in maart van het jaar al zinnige uitspraken te doen over de kansen van de twee partijen in november.


Het is duidelijk dat Amerikaanse kiezers boos zijn – een vaststelling die weinig heel laat van de bewering van de Democraten dat het land tevreden is over het beleid van president Obama – maar er zijn verschillende uitlaatkleppen voor die woede. De nu tanende kandidatuur van Bernie Sanders toont een heftige ontevredenheid onder jonge Democraten over Hillary Clinton (die zij te zwak, te gematigd, te oud en/of te leugenachtig vinden). Aan de andere kant verzamelt Donald Trump een harde maar zeer diverse kern boze burgers achter zich, waaronder zeker ook een percentage Democratische kiezers die Sanders juist weer te radicaal vinden, maar die Clinton niet vertrouwen. Voor veel Trump-supporters is zijn beleidsprogram niet belangrijk: zij zijn alleen maar geïnteresseerd in afbraak van “het systeem” en een protest tegen “het establishment”, wat dat ook moge betekenen. Een dergelijke emotionele stemming, die willens en wetens gespeend is van rationele overwegingen, maakt het voorspellen van de uitkomst van de verkiezingen onmogelijk.

dinsdag 22 maart 2016

Waarom Republikeinen de nieuwe opperrechter blokkeren

Enkele weken na de dood van de conservatieve opperrechter Antonin Scalia vorige maand heeft president Obama de voorzitter van het appèlhof in Washington, D.C. voorgedragen om de zetel van Scalia aan het Hooggerechtshof over te nemen. De media berichten dat de man in kwestie, de 63-jarige Merrick Garland, een gematigde en zeer gerespecteerde jurist is en bij lange na geen extreem-linkse activist. Er is dan ook weinig begrip voor de herhaalde aankondigingen van Republikeinen in de Senaat dat rechter Garland niet kan rekenen op bevestiging in zijn ambt door de Senaat, of zelfs maar dat de Senaat hoorzittingen zal houden over zijn benoeming.

De harde houding van de Republikeinen is echter volledig verklaarbaar en de aantijgingen van Democraten dat de Republikeinen hun grondwettelijke plicht verzaken door Garland niet te bevestigen is onzin. De reden die Mitch McConnell, de fractievoorzitter van de Republikeinen in de Senaat, en andere vooraanstaande Republikeinen aanvoeren voor het weigeren hoorzittingen over de benoeming te houden is echter het verkeerde argument en zal de doorsnee-Amerikaan bevreemden.

McConnell hamert erop dat het een goede traditie is geen nieuwe opperrechters te benoemen in het laatste jaar van een president om zo de kiezer de kans te geven aan de stembus de richting van het Hooggerechtshof mee te helpen bestemmen. Ik denk dat de partij veel directer mag zeggen dat rechter Merrick Garland niet geschikt is om benoemd te worden.

De voorstelling dat Garland gematigd is (zie bijvoorbeeld dit artikel van Lincoln Caplan in The New Yorker), is namelijk flink bezijden de waarheid. Hoewel hij ongetwijfeld een fijne en collegiale vent is, is zijn houding ten opzicht van de Grondwet grofweg die van de moderne radicale stroming in de Amerikaanse rechten, namelijk dat de Grondwet kan betekenen wat elke individuele rechter meent dat ze betekent, zoals Kevin D. Williamson schrijft op de website van National Review. Deze stroming, die van de zogenaamde “Levende Grondwet”, doet sinds de jaren zeventig flink opgeld aan Amerikaanse rechtenfaculteiten en is sindsdien gaandweg ook invloedrijk geworden binnen de gerechtshoven van het land. Het is een anti-rationele theorie waartegen wijlen rechter Scalia zijn gehele carrière vocht. Immers, als de tekst van een wet niet betekent wat er staat, dan heeft de samenleving geen gevestigde spelregels meer en valt ze ten prooi aan de willekeur van de rechters.

Dankzij de Levende Grondwet is het Hooggerechtshof en de jurisprudentie in de Verenigde Staten de afgelopen veertig jaar flink in de richting van linkse en sociaal-democratische politieke standpunten opgeschoven - ofschoon rechtspraak in principe apolitiek zou moeten zijn. Ondanks het gekrakeel van linkse opiniejournalisten dat het hof door steeds rechtsere opperrechters zoals Scalia zou worden gedomineerd, vallen veel van de ideologisch gekleurde zaken regelmatig in het voordeel van linkse politieke groepen uit. Daaronder vallen met name zaken over zog. sociaal beleid, zoals abortus en homorechten: zowel het recht op abortus als het homohuwelijk zijn in de VS ingevoerd via een dictaat van een linkse meerderheid aan het Hooggerechtshof en niet via wetswijzigingen in het Congres. Daarmee scoort Amerika een flink aantal anti-democratische strafpunten in vergelijking met andere Westerse landen die zulke zaken wel via de parlementaire weg hebben geregeld. Dat er in de VS over zulke onderwerpen een extra bittere maatschappelijke onrust bestaat mag dan ook niet verwonderen.

De voorstelling dat rechter Garland “gematigder” zou zijn dan andere linkse juristen is een fabeltje. Ongetwijfeld heeft hij zich als vooraanstaand rechter minder nadrukkelijk geuit over zaken op het ideologische wensenlijstje van progressief Amerika dan wellicht andere Amerikaanse juristen, maar er bestaan in de Amerikaanse politiek – en daarmee ook in de rechterlijke macht – slechts twee ideologische standpunten: progressief/links en conservatief/liberaal. (Het Engelse woord liberal betekent in de VS tegenwoordig verwarrend genoeg links-progressief.) Die binaire dynamiek wordt binnen een juridische context nog eens versterkt, omdat appèlhoven in wezen alleen “ja” of “nee” zeggen: óf de aanklager wint, óf de gedaagde. In constitutionele zaken betekent dat meestal dat de overheid of één van haar instanties tegenover een burger, bedrijf of maatschappelijke groep staat. De recente geschiedenis leert dat opperrechters op heel voorspelbare wijze hun besluit hetzij in het voordeel, hetzij in het nadeel van de regerende partij maken.

Mitch McConnell en de Republikeinen zouden er goed aan doen duidelijk te maken dat Garland ongeschikt is voor het Hooggerechtshof, omdat hij niet voldoet aan de belangrijkste eis voor dat ambt: onpartijdigheid. De Levende Grondwet staat immers op zwaar gespannen voet met dat juridische principe. De kans dat Obama een constitutioneel trouwe rechter benoemt is nihil en dus mag gerust worden aangenomen dat de Senaat voor november geen stappen zal willen ondernemen over het bevestigen van door president Obama benoemde rechters. En dat is hun goed recht, want de Grondwet eist alleen maar dat de Senaat de president zijn mening meedeelt over de geschiktheid van een kandidaat. Die plicht is intussen voldoende vervuld en de discussie over Garland mag genoeglijk worden afgesloten.