Op het juridische vlak wordt het Hooggerechtshof gevraagd of twee afzonderlijke wetten grondwettelijk zijn: (1) de Californische wet die homohuwelijken verbiedt (bekend als “Proposition 8”) en (2) de federale wet die het huwelijk voor federale doeleinden uitsluitend als heterohuwelijk definieert (bekend als “Defense of Marriage Act” of DOMA).
Volgens de voorstanders van het homohuwelijk draait het om een eenvoudige vraag van gelijkheid en fairness. Het huwelijk is, zo argumenteerde Ted Olson, de advocaat die de homobeweging vertegenwoordigt, een fundamenteel recht. Dus mag de staat niet ongeoorloofd discrimineren op grond van seksuele geaardheid. Door homo’s uit te sluiten van het huwelijk zouden gezinnen, inclusief kinderen in gezinnen met homoseksuele ouders, zowel emotioneel als financieel geschaad worden.
Dit is een wel erg simplistische voorstelling van een sociologisch zeer gecompliceerd vraagstuk, waarin de laatste tien jaar veel verschuivingen hebben plaatsgevonden. Eén belangrijk en complicerend verschil met bijvoorbeeld Nederland is dat men in Amerika de juridische weg heeft gekozen. In feite is dat een poging om de moeizame parlementaire weg te omzeilen en het homohuwelijk in één klap landelijk in te voeren.
Een dergelijke ondemocratische stap heeft zware consequenties. Dat bleek al in 2003 toen het provinciale Hooggerechtshof in Massachusetts het homohuwelijk in die staat dwingend oplegde. Als direct resultaat werden christelijke adoptiebureau’s gedwongen om kinderen ook bij homoparen te plaatsen. Boston Catholic Charities -- een van de grootste liefdadigheidsinstellingen in die staat -- weigerde hieraan gevolg te geven en sloot de deuren van hun adoptiebureau om rechtsvervolging te voorkomen.
Christenen vrezen dat de uitspraak van het Hooggerechtshof, die in juni wordt verwacht, op eendere wijze de vrijheid van godsdienst in heel Amerika expliciet ondergeschikt maakt aan het verbod op discriminatie van homoseksuelen. Chai Feldblum van Georgetown University, adviseur van President Obama en zelf prominent voorstander van het homohuwelijk, zei in 2006 al dat zij zich geen juridische situatie kon voorstellen, waarin godsdienstvrijheid zwaarder kon wegen dan het recht van homoseksuelen op seksuele vrijheid.
De redacteur van National Review Rich Lowry schreef deze week bezorgd dat het Hooggerechtshof op het punt staat “alle tegenstand tegen het homohuwelijk illegitiem te verklaren.” Maar daarbij zal het niet blijven. Ryan Anderson van het conservatieve Heritage Institute schreef vorige week samen met Sherif Girgis en Robert George dat de Amerikaanse homobeweging er expliciet op uit is om de betekenis van het huwelijk volledig uit te hollen. Ze verwezen naar auteur Michelangelo Signorile die zei dat “de meest subversieve daad die lesbiennes en homoseksuele mannen kunnen ondernemen [is] om het begrip ‘huwelijk’ volledig te veranderen.”
De schade die een dwingende juridische uitspraak aan het instituut van het huwelijk, aan de godsdienstvrijheid en aan de maatschappij in het algemeen kan toevoegen is theoretisch enorm. En dat terwijl er geschat wordt dat slechts drie tot vijf procent van de Amerikanen homoseksueel is. Maar Amerika valt ten prooi aan een samenloop van woest secularisme en ongebreidelde seksualiteit.
De Amerikaanse homobeweging overdrijft de betekenis van vier tamelijk marginale referenda over het homohuwelijk. Amerika is over dit thema sterk verdeeld en een bindende uitspraak van het Hooggerechtshof zal, net als bij de controversiële abortusuitspraak Roe v. Wade uit 1973, de temperatuur van het publieke debat alleen maar verder opdrijven. Homorechten zijn bij uitstek een zaak voor de volksvertegenwoordiging en niet voor de rechter.