donderdag 28 maart 2013

Juridische weg naar homohuwelijk VS bedreigt godsdienstvrijheid

Deze week hield het Amerikaanse Hooggerechtshof hoorzittingen over twee afzonderlijke zaken rond het homohuwelijk. Christenen vrezen dat de uitspraak, die in juni wordt verwacht, de godsdienstvrijheid zal beperken en de samenleving zwaar zal beschadigen.

Op het juridische vlak wordt het Hooggerechtshof gevraagd of twee afzonderlijke wetten grondwettelijk zijn: (1) de Californische wet die homohuwelijken verbiedt (bekend als “Proposition 8”) en (2) de federale wet die het huwelijk voor federale doeleinden uitsluitend als heterohuwelijk definieert (bekend als “Defense of Marriage Act” of DOMA).


Volgens de voorstanders van het homohuwelijk draait het om een eenvoudige vraag van gelijkheid en fairness. Het huwelijk is, zo argumenteerde Ted Olson, de advocaat die de homobeweging vertegenwoordigt, een fundamenteel recht. Dus mag de staat niet ongeoorloofd discrimineren op grond van seksuele geaardheid. Door homo’s uit te sluiten van het huwelijk zouden gezinnen, inclusief kinderen in gezinnen met homoseksuele ouders, zowel emotioneel als financieel geschaad worden.


Dit is een wel erg simplistische voorstelling van een sociologisch zeer gecompliceerd vraagstuk, waarin de laatste tien jaar veel verschuivingen hebben plaatsgevonden. Eén belangrijk en complicerend verschil met bijvoorbeeld Nederland is dat men in Amerika de juridische weg heeft gekozen. In feite is dat een poging om de moeizame parlementaire weg te omzeilen en het homohuwelijk in één klap landelijk in te voeren. 


Een dergelijke ondemocratische stap heeft zware consequenties. Dat bleek al in 2003 toen het provinciale Hooggerechtshof in Massachusetts het homohuwelijk in die staat dwingend oplegde. Als direct resultaat werden christelijke adoptiebureau’s gedwongen om kinderen ook bij homoparen te plaatsen. Boston Catholic Charities -- een van de grootste liefdadigheidsinstellingen in die staat -- weigerde hieraan gevolg te geven en sloot de deuren van hun adoptiebureau om rechtsvervolging te voorkomen.

Christenen vrezen dat de uitspraak van het Hooggerechtshof, die in juni wordt verwacht, op eendere wijze de vrijheid van godsdienst in heel Amerika expliciet ondergeschikt maakt aan het verbod op discriminatie van homoseksuelen. Chai Feldblum van Georgetown University, adviseur van President Obama en zelf prominent voorstander van het homohuwelijk, zei in 2006 al dat zij zich geen juridische situatie kon voorstellen, waarin godsdienstvrijheid zwaarder kon wegen dan het recht van homoseksuelen op seksuele vrijheid.

De redacteur van National Review Rich Lowry schreef deze week bezorgd dat het Hooggerechtshof op het punt staat “alle tegenstand tegen het homohuwelijk illegitiem te verklaren.” Maar daarbij zal het niet blijven. Ryan Anderson van het conservatieve Heritage Institute schreef vorige week samen met Sherif Girgis en Robert George dat de Amerikaanse homobeweging er expliciet op uit is om de betekenis van het huwelijk volledig uit te hollen. Ze verwezen naar auteur Michelangelo Signorile die zei dat “de meest subversieve daad die lesbiennes en homoseksuele mannen kunnen ondernemen [is] om het begrip ‘huwelijk’ volledig te veranderen.”

De schade die een dwingende juridische uitspraak aan het instituut van het huwelijk, aan de godsdienstvrijheid en aan de maatschappij in het algemeen kan toevoegen is theoretisch enorm. En dat terwijl er geschat wordt dat slechts drie tot vijf procent van de Amerikanen homoseksueel is. Maar Amerika valt ten prooi aan een samenloop van woest secularisme en ongebreidelde seksualiteit.

De Amerikaanse homobeweging overdrijft de betekenis van vier tamelijk marginale referenda over het homohuwelijk. Amerika is over dit thema sterk verdeeld en een bindende uitspraak van het Hooggerechtshof zal, net als bij de controversiële abortusuitspraak Roe v. Wade uit 1973, de temperatuur van het publieke debat alleen maar verder opdrijven. Homorechten zijn bij uitstek een zaak voor de volksvertegenwoordiging en niet voor de rechter.


donderdag 21 maart 2013

Republikeinse Partij in identiteitscrisis

Dit artikel is op 25 maart in het Nederlands Dagblad verschenen.

Nu bijna vijf maanden na de verkiezingen maken de Republikeinen met enige afstand flink balans op. De partij verloor de presidentsverkiezingen en ook veel van de federale ambten en de vraag is waarom.

De meest gehoorde visie op het verlies van de Republikeinse Partij is dat men door de tijd is voorbijgestreefd. De partij houdt vast aan achterhaalde beleidsvoorstellen die niet meer toepasbaar zijn op een electoraat dat er etnisch en cultureel anders uitziet dan in de gloriejaren onder Ronald Reagan. Men wijst op de tanende steun onder bevolkingsgroepen die flink groeien (latino’s en Aziatische immigranten) en jonge volwassenen stemmen steeds minder vaak Republikeins. De Republikeinen worden steeds meer een partij van oudere blanken in de zuidelijke staten.

Verder wordt gewaarschuwd dat de partij slecht inspeelt op socioculturele veranderingen. Het afgelopen decennium is de houding van Amerikanen t.o.v. het homohuwelijk faliekant omgeslagen zodat een ruime meerderheid nu vóór invoering is. De tolerantere houding naar homo’s tekende zich in november toen drie staten via een volksstemming het homohuwelijk invoerden. Het Republikeinse verzet tegen het homohuwelijk -- alsmede een aantal andere rechten waar de homolobby voor vecht -- is steeds meer een achterhoedegevecht.

Het advies aan de partij dat velen aan de partijleiding geven is om vooral een flinke ommezwaai te maken jegens immigranten en te werken aan een legale status voor de miljoenen illegale latino’s. Over het homohuwelijk zijn de meningen wat meer verdeeld, maar ook wat dat thema betreft zijn er genoeg luide stemmen die de partij raden om dat ook maar te omarmen.

Deze visie komt overigens niet alleen van linkerzijde, hoewel het commentaar van de New York Times direct na de verkiezingen wel erg triomfantelijk was: “Republikeinen zouden eens morele waarden voor alle gezinnen moeten gaan voorstaan, ook homoseksuele gezinnen -- en ook het recht op abortus en het recht op gezondheidszorg -- omdat dat de juiste doelen zijn voor het land waarin we leven, niet het land waarin zij zich wanen.” Ook een analyse van een partijcomité sprak afgelopen week eender in het rapport Growth and Opportunity Project.

Dat rapport is -- terecht -- erg kritisch ontvangen door de rechtse media. De redactie van het invloedrijke National Review verwijst het naar de prullenbak als “oppervlakkig” en “opportunistisch.” Pete Spiliakos schrijft op de christelijke opiniewebsite First Things dat het argument voor grootschalige legalisering van illegale latino’s als strategie naar het hart van latino-Amerikanen intellectueel schamel is. Hij vindt dat opportunistische critici teveel nadruk leggen op het belang dat latino’s aan immigratiehervorming zouden hechten.

In werkelijkheid is het volgens Spiliakos juist het ontbreken van een geloofwaardig economisch beleid dat alle kiezersgroepen van de partij afstoot. De campagne van 2012 was dan ook een pure anti-campagne tegen het beleid van Obama, maar zonder te articuleren waar de partij zelf voor stond. De economische beleidsvoorstellen die wel vaak worden geopperd, hoe serieus of intellectueel ook (met name belastingverlagingen voor “banenscheppers”), klinken allemaal als weggevertjes aan de superrijken. Dat spreekt latino’s net zo min aan als blanke jongeren met een beginsalaris.

De partij moet daarom beleid formuleren dat jonge gezinnen oplossingen biedt voor de hoge belastingdruk, rijzende verzekeringspremies onder Obamacare en zorgen over de toegankelijkheid van gezondheidszorg.

Juist hier heeft conservatisme meer te bieden dan Obama’s gestuurde economische beleid dat na vier jaar nog steeds verzand ligt in hoge werkloosheid en malaise. Laat de partij liever stemmen winnen door de superioriteit van het eigen gedachtegoed aan te tonen in plaats van gehoor te geven aan de oproep om basisprincipes op immigratiewetgeving, het huwelijk, enz. op te geven. Dat is sowieso verdacht advies, vooral als het vanuit linkse hoek komt.

vrijdag 1 maart 2013

Obama’s guerrillaoorlog tegen de oppositie


De regering Obama schuwt geen enkel middel om de oppositie buitenspel te zetten en de wil van de president door te zetten. Dat komt de democratie en de toon in Washington niet ten goede.

Toen Bob Woodward van de Washington Post onlangs berichtte dat president Obama had gelogen over de bezuinigingsmaatregel bekend als de ‘sequester’ moest hij van een vriend in het Witte Huis een scheldkannonade aanhoren. Die vriend, economisch adviseur Gene Sperling, verontschuldigde zich per e-mail, maar kon het toch niet nalaten om Woodward te vertellen dat hij “spijt zou krijgen” van zijn opstelling.

Linkse media hebben sinds bekendworden van dit incident vooral met Woodward de draak gestoken. Als ‘dreigement’ stelt het immers weinig voor. Toch maken velen zich zorgen over de boodschap die desondanks steeds vaker uit het Witte Huis naar de pers begint door te sijpelen. Enkele andere linkse journalisten (o.a. Ron Fournier van National Journal en Lanny Davis van de Washington Times) hebben zich vorige week ook beklaagd over schunnige taal van functionarissen in het Witte Huis. Zelfs de Democratisch gezinde pers wil dit niet afdoen als hersenspinsel van rechtse complottheoristen.

Want Bob Woodward is niet de eerste de beste. Sinds hij in de jaren 70 de Republikeinse president Richard Nixon over het Watergate-schandaal liet struikelen, geldt hij als icoon voor de linkse media. Maar de laatste jaren is Woodward erg kritisch geworden over de onkunde en ruwe regeerstijl van president Obama.

Woodward is met name niet te spreken over de manier waarop de president de onderhandelingen over het fiscale beleid van de regering manipuleert. Een compromis over de zogenaamde sequester is altijd binnen handbereik geweest, maar Woodward stemt zonder omhalen in met de klacht van de Republikeinen dat president Obama geen vinger heeft uitgestoken. In plaats daarvan reist hij al weken lang door het land om in toespraken allerlei doemscenario’s over de aanstaande financiële crisis te verkopen die hij dan op het bordje van ‘obstructionistische Republikeinen’ schuift. Woodward noemt die opstelling “waanzin” en heeft de regering Obama al tweemaal op onwaarheden betrapt.

Peilingen tonen aan dat de president grotendeels succes heeft met deze tactiek, want een meerderheid van de Amerikanen geeft Republikeinen de schuld voor de huidige impasse. Dat is het regelrechte gevolg van een veel te weinig kritische pers t.o.v. Barack Obama over de afgelopen vijf jaar. Het Obama-team heeft flink gebruik gemaakt van de welwillendheid onder linkse journalisten (een ruime meerderheid in Washington) om het Democratische standpunt in een zo positief mogelijk licht te plaatsen en de oppositie zo kritisch mogelijk te bejegenen. Het beeld dat veel Amerikanen van de Republikeinen hebben is erg negatief. Dat ligt zeker ten dele aan de vakkundige propaganda-campagne van het Witte Huis.

De guerrillaoorlog van het Witte Huis beperkt zich echter geenszins tot het choreograferen van een positief mediabeeld. Wie de kritische vragen stelt die de linkse massamedia totnogtoe te zelden stelt, ziet achter de façade van dat mediabeeld een breder patroon van een hardhandige bewindsvoering.

Dat Democratische senatoren de rijen sloten en de overduidelijk onbekwame Chuck Hagel tot Minister van Defensie benoemden is een zorgelijk teken voor de besluitvorming in Washington. Dat er nog steeds geen duidelijkheid is over de vraag waarom de president gemoedelijk naar bed is gegaan nadat hem op 11 september 2012 werd verteld dat een Amerikaanse diplomatieke post in Libië onder vuur van terroristen lag zegt veel over de manier waarop politiek Washington naar de pijpen van de president danst.

Er zijn te veel vragen over machtsmisbruik van hooggeplaatste functionarissen in de regering Obama en de manier waarop ministeries geld uitgegeven en regels uitvaardigen. Omdat de stellers van die vragen conservatieven zijn, blijven ze veelal onbeantwoord. Met de harde manier waarop het Witte Huis nu ook tegen linkse journalisten tekeergaat heeft de president wellicht zijn hand overspeeld.