donderdag 9 januari 2014

Boek van Gates schetst een ongeïnteresseerde Obama

Het nieuwe boek van voormalig minister van defensie Robert Gates met de eenvoudige titel Duty (“Plicht”) baart veel opzien in Washington. Gates geldt onder zowel Republikeinen als Democraten als een kundige, objectieve man en als één van de beste ministers van defensie sinds de Tweede Wereldoorlog. Dat juist hij zo’n kritisch boek over president Obama schrijft komt hard aan.

Het boek van Gates is erg emotioneel. Zijn intense liefde voor de strijdkrachten en zijn frustraties over president Obama, die volgens hem geen greintje sympathie voor de soldaten aan het front had, speelden mee in zijn beslissing in 2011 om ontslag te nemen. Zijn emoties begonnen zijn beoordelingsvermogen in de weg te zitten.

Het boek staat vol van kritiek op politiek Washington en dat beperkt zich niet tot de regering Obama. Over zijn tijd onder diens voorganger merkt Gates op dat vice-president Cheney wel degelijk op zoek leek te zijn naar een onnodig militair conflict in Iran. En terwijl Gates veel van de noodmaatregelen van Bush na 11 september 2001 begrijpelijk vond, raakte hij gaandeweg toch gefrustreerd dat Bush die in de loop der jaren niet systematisch herzag om dwalingen zoals het martelen en het geheime uitleveren van gevangenen uit te bannen.

Ook heeft Gates weinig geduld met parlementariërs die alleen maar oog hebben voor hun eigen herverkiezing. Veel senatoren zijn volgens hem hypocriete windbuilen en leden van het Huis van Afgevaardigden noemt hij “onbeschoft, gemeen en dom.”

Het meest spraakmakende van het boek is echter de kritiek op president Obama. Gates beschrijft een president die weliswaar lang delibereert – in tegenstelling tot Bush, die zich moeilijk van diepe overtuigingen liet afbrengen – maar die volkomen ongeïnteresseerd was in de missie. Met betrekking tot Afghanistan merkt Gates op: “De president [Obama] vertrouwt zijn bevelhebber in het veld niet, kan [president] Karzai niet uitstaan, gelooft niet in zijn eigen strategie en vindt het ook niet eens ‘zijn’ oorlog. Voor hem draait het alleen maar om terugtrekken.”

Ook vond Gates dat Obama zich teveel liet leiden door jonge, onervaren adviseurs uit zijn eigen kring ten nadele van de oudere experts, en dat vice-president Joe Biden de geest van de president vergiftigde door constant te herhalen dat militairen niet te vertrouwen zijn.

Het boek presenteert een enigszins tegenstrijdig beeld van president Obama, want naast presidentiële desinteresse en onkunde beschrijft Gates ook dat Obama herhaaldelijk, tegen advies van anderen in, de juiste tactische beslissingen heeft genomen. Maar in het boek is Obama ook een president die het verschil tussen strategie en tactiek niet kent en alleen maar over de korte termijn nadenkt. Het boek draagt flink bij aan het beeld van Obama als een zelfzuchtige, ongeïnteresseerde man die liever golf speelt dan regeert. Meer nog dan dat: Gates schetst een man die weinig eigen meningen heeft en zich te makkelijk door zijn adviseurs laat sturen.

Tenslotte krijgt ook Hilary Clinton, de gedoodverfde presidentskandidate in 2016, een flinke veeg uit de pan. Clinton gaf enkele jaren later in het bijzijn van Gates toe dat haar tegenstand tegen de inzet van meer soldaten in Irak in 2007 niets met militaire maar alles met electorale tactiek in de aanloop naar voorverkiezingen in Iowa te maken had. (De president gaf schoorvoetend toe dat dezelfde calculaties bij hem hadden meegespeeld.) De rasechte militair Gates was diep geschokt dat Clinton en Obama de levens van soldaten ondergeschikt maakten aan de stembus.

Rich Lowry, redacteur van het conservatieve opinieblad National Review, merkte droogjes op dat niemand echt verrast kan zijn over de onthullingen van Gates. Toch is het een schok om je argwaan over de machtigste man van de wereld door zo’n objectieve bron bevestigd te zien.

woensdag 1 januari 2014

Media VS voeren Democratische propaganda

Het artikel van David Kirkpatrick in de New York Times van 28 december jl. over de toedracht van de aanslag op het Amerikaanse consulaat in het Libische Benghazi in september 2012 heeft in Amerika voor opschudding gezorgd. Kirkpatrick maakt korte metten met de kritiek van Republikeinse politici die in de aanslag een actie van al-Qaeda zien en de regering Obama al meer dan een jaar betichten van incompetentie en het opzetten van een doofpotaffaire.

Kirkpatrick verwerpt die beschuldigingen. Volgens zijn eigen research klopt de versie van de regering Obama grotendeels: het was een actie uit onvrede over een beledigend anti-islamfilmpje op Youtube, in korte tijd georganiseerd door locale extremisten zonder directe banden met al-Qaeda.

Het artikel van deze gerenommeerde journalist is indrukwekkend, maar er klopt van alles niet aan. Thomas Joscelyn en Stephen Hayes van The Weekly Standard, die al sinds vorig jaar uitgebreid over de zaak berichten, vinden Kirkpatricks argumentatie ondeugdelijk. Ook twee vooraanstaande leden van de parlementaire commissie voor inlichtingen, een Democraat en een Republikein, spreken zijn conclusies tegen.

Kirkpatrick heeft ontegenzeggelijk veel werk verzet en nieuwe details aan het licht gebracht, maar de feiten die hij aanvoert kan de brede consensus van de inlichtingendiensten over de betrokkenheid van aan al-Qaeda gelieerde groepen niet weerleggen. Dat hij zijn conclusies niet aan de uitgebreide dossiers van de congressionele onderzoekscommissie verantwoordt is laakbaar. Daarom verdient zijn artikel dan ook niet de aandacht die het in de nationale en internationale pers heeft gekregen.

Conservatieve politici en journalisten zien in de publicatie van dit zeer controversiële artikel – op de voorpagina nog wel – en twee dagen later gevolgd door een ondersteunend redactioneel commentaar , een boude, aggressieve zet door linkse journalisten in een poging het besmette blazoen van Hilary Clinton in deze zaak te reinigen.

In veler ogen heeft Clinton zichzelf destijds als minister van buitenlandse zaken flink geblameerd door zeer twijfelachtig optreden in de maanden voor de aanslag (dringende verzoeken van de ambassadeur om meer beveiliging van het consulaat werden genegeerd), door geheimzinnigheid erna en door haar schofferende optreden voor de onderzoekscommissie in januari 2013. Desondanks is Clinton de gedoodverfde Democratische kandidate voor het presidentsschap in 2016.

Het zou helaas niet de eerste keer zijn dat Amerikaanse journalisten politiek werk voor de Democraten uitvoeren. Het tijdschrift Newsweek was in 2008 zo openlijk op de hand van kandidaat Barack Obama (die meerdere keren op de cover stond) dat critici schamperden over een omdoping van het tijdschrift tot Obamaweek.

Conservatieve journalisten klagen al sinds 2008 dat de pers veel te weinig kritische vragen aan Barack Obama en zijn kabinetsleden stelt. Slechts de onaflatende reeks blunders rond het inwerkingtreden van Obamacare dwingt enkele media de afgelopen maanden tot een beperkte mate van scepsis jegens de regering.

Het is een publiek geheim dat de politieke pers in groten getale op Democratische hand is. Peilingen onder journalisten in Washington geven aan dat 93 procent Democratisch stemt, en de meesten van hen geven het openlijk toe. Dat is een ongezond hoog percentage. Zo’n situatie leidt zelfs onder de beste omstandigheden tot onbedoelde zelfrecensie en eenzijdige berichtgeving. Het verhaal van Kirkpatrick toont dat perfect aan: ondanks zijn harde werk en brede kennis negeerde hij in zijn verhaal willens en wetens een aantal belangrijke aspecten, omdat ze niet in zijn persoonlijke straatje pasten.

Een vrije pers is onmisbaar voor het goed functioneren van een democratie. Met slechts enkele media die openlijk kritisch tegenover de Democratische partij staan (bijv. FOX News en de opinieredactie van de Wall Street Journal) is er nauwelijks nog sprake van een breed scala aan opinies in de Amerikaanse media. Dat draagt ongetwijfeld bij aan de politieke verharding in de VS. Het baart ook zorgen over de waarborging van de vrijheid.