vrijdag 24 mei 2013

Schandalen in Amerikaanse politiek door zwak leiderschap Obama


President Obama in een archieffoto met vlnr topadviseurs Valerie Jarrett, David Axelrod en Dan Pfeiffer
(Foto door het Witte Huis, 21 mei 2010 - PD)

Ondanks een zekere mate van Schadenfreude in de conservatieve pers is er nog steeds geen enkel bewijs dat president Obama op enige wijze betrokken was bij de twijfelachtige praktijken die zijn regering dezer dagen in zo’n kwaad daglicht plaatsen. Maar de lijst van schandaaltjes begint intussen wel erg lang te worden: Benghazi, de Belastingdienst (IRS), het opsporingsbevel tegen persbureau Associated Press, het corruptieschandaal binnen milieubureau EPA, het wapenschandaal ‘Fast and Furious’ -- en die lijst is daarmee nog niet volledig. Er zijn intussen wel erg veel wilde praktijken geconstateerd.

Symptomatisch voor de situatie is dat president Obama en zijn woordvoerders steevast beweren van niets te weten. Bob Schieffer van CBS reageerde afgelopen zondag geïrriteerd op de onnozele antwoorden van Obama-adviseur Dan Pfeiffer: Waarom stuurt het Witte Huis altijd functionarissen op pad die niets met de zaak te maken hebben, niets weten, of maar roepen dat het kleinigheden zijn. “Zo was het met Nixon en Watergate in het begin ook,” opperde hij.

Met zijn kritiek sluit de linkse Schieffer zich nu ook aan bij de conservatieve media. Is de president als hoogste manager van de federale regering immers niet verantwoordelijk voor het besturen van die regering en het ambtenarenapparaat dat daaronder resorteert? Columnist Mark Steyn van National Review schamperde dat de president maar doet alsof “de president van de VS” en “de regering van de VS” twee ongerelateerde entiteiten zijn die toevallig in naam iets op elkaar lijken.

Bill Kristol, redacteur van The Weekly Standard, verwoordde de Republikeinse kritiek als volgt: de vermenigvuldiging van dit soort schandaaltjes is een direct resultaat van de ideologische invalshoek en de bestuursstijl van president Obama. De president en zijn partij hebben de afgelopen vier jaar honderden miljarden dollars uitgegeven aan dure lievelingsprojecten die hebben geleid tot een ware explosie in de omvang (en de kosten) van het federale ambtenarenapparaat en het aantal wetten en regels waarmee Washington de economie probeert te besturen. De federale regering is nu zo log geworden dat het niet meer bestuurbaar is.

Vergelijkingen met de criminele praktijken van Nixon in Watergate gaan mank. Er zijn geen aanwijzingen dat president Obama persoonlijk betrokken is geweest bij de praktijken waarin zijn regering nu verstrikt raakt.

Maar dat gebrek aan verantwoordelijkheid en leiding geven is niet minder problematisch, want het heeft binnen de ministeries een machtsvacuüm geschapen. Als gevolg hebben lagere managers macht naar zich toegetrokken zonder dat er van bovenaf adequaat toezicht werd uitgeoefend. Zo kon een afdeling van de Belastingdienst drie jaar lang haar gang gaan met het intimideren van conservatieve politieke groepen: hogere managers controleerden de procedures van de afdeling niet of nauwelijks.

Wat de verschillende onderzoeken naar het doen en laten van de regering Obama zeker duidelijk maken is dat de president te veel aandacht heeft besteed aan het projecteren van een flink geretoucheerd imago en te weinig aan besturen. Dat mooie zelfportret heeft de pers in 2012 te makkelijk voor zoete koek geslikt. Als er tijdens de campagne meer aandacht was geweest voor de effectiviteit van Obama’s bestuur, in plaats van alleen maar voor het elan van zijn oraties, was een andere verkiezingsuitslag absoluut denkbaar geweest.

President Obama lijkt een ‘ceremonieel presidentsschap’ te verkiezen met weinig taken naast het houden van toespraken. Maar daarin voorziet de Amerikaanse grondwet niet. Die omschrijft de president niet maar als staatshoofd, maar ook als leider van de regering. Als die taak hem niet interesseert, had Barack Obama niet naar de baan moeten solliciteren.

dinsdag 14 mei 2013

Schandaal rond Benghazi groeit

Dit artikel is op 16 mei 2013 in het Nederlands Dagblad gepubliceerd.


Het getuigenis van drie ‘klokkenluiders’ en de publicatie van officiële documenten van het Witte Huis suggereren dat de president en zijn kabinet de levens van vier diplomaten hebben opgeofferd ten dienste van Obama’s politieke visie op de Arabische wereld.

Op 11 september 2012 vielen terroristen een Amerikaanse diplo­matieke buitenpost in Benghazi (Libië) aan. Na de uren durende belegering bleken ambas­sa­deur Chris Stevens en drie andere diplomaten te zijn omgekomen. Zeker op de herdenkingsdag van de aan­slagen van 11 september 2001 was deze terroristische aanslag op een Amerikaanse diplomatenpost een triest moment.

Al snel begon men vragen te stellen over de beveiliging van deze buitenpost in Libië en hoe de regering Obama op de aanval had gereageerd. Het weekeinde na de aanval werden de vragen indringender, nadat VN-ambassadeur Susan Rice in vijf verschillende nieuwsshows had verklaard dat de regering uitging van een ‘spontane demon­stra­tie’ in navolging van eendere protesten in Cairo tegen een anti-islamfilm op Youtube van een Amerikaanse christen.

Republikeinen vroegen waarom het Witte Huis niet langer over een terroristische aanval sprak. Hoorzittingen met kabinetsleden in januari brachten weinig duidelijk­heid. Met name toenmalig minister van buitenlandse zaken, Hillary Clinton, verweet de Republikeinen op getergde toon dat zij spijkers op laag water zochten. “Wat maakt het nu allemaal nog uit,” vroeg ze, “of het nu een spontane demonstratie was of een aanval van terroristen?”

Uit Clintons opmerking sprak de wens van het Witte Huis dat het onderzoek naar de affaire Benghazi eindelijk gedaan zou zijn. Republikeinen waren echter ziedend over Clintons nietszeggende antwoord en vonden drie klokken­lui­ders die vorige week voor een parlementaire commissie getuigden.

Het schokkendst was het getuigenis van Gregory Hicks, de hoogste diplomaat in Libië na Stevens. Hij weerlegde de officiële verklaringen van het Witte Huis over de toedracht van de aan­val. Hij had persoonlijk met Hillary Clinton gesproken en verklaarde dat de regering van het begin wist dat het een aanval van al-Qaeda-terroristen was.

Ook meende hij dat een militaire reddingsoperatie mogelijk was geweest – een troep mariniers stond al gereed – maar dat die van hogerhand tot twee keer toe werd afgeblazen. Tenslotte verklaarde hij dat hij door zijn superieuren was geïntimideerd om zijn mond te houden over de vele ongerijmd­heden in de officiële verklaringen over Benghazi.

Enkele dagen later publiceerde The Weekly Standard verschillende versies van de door de CIA geschreven inlichtingensamenvatting over Benghazi. Uit een vergelijking bleek dat regeringsfunctio­narissen in de latere versies alle verwijzingen naar terroristen hadden geschrapt.

Jay Carney, de woord­voerder van het Witte Huis, heeft vervolgens glashard gelogen, toen hij beweerde dat het Witte Huis slechts één enkel woord “om stilistische redenen” had geredigeerd – in werkelijkheid werd ongeveer de helft van de tekst geschrapt. Aangezien de betrokkenheid van al-Qaeda-terroristen in Libië publiekelijk bekend was, komen deze pogingen om essentiële feiten te verzwijgen uitermate klunzig over.

Tot dusver hadden de Democraten en de media weinig interesse in de zaak en spraken regelmatig over een heksenjacht op de president en Hillary Clinton, de gedoodverfde presidentskandidate voor de partij in 2016. Maar na deze laatste hoorzittingen beginnen ook zij vragen te stellen. Wie heeft de reddingsoperatie twee keer geannuleerd? En wie was verantwoordelijk voor het verdraaien van de inlichtingen over de toedracht van de aanval?

Wat in deze zaak vooral opvalt, is de politieke berekening vanuit het Witte Huis. Het heeft er alle schijn van dat de president afgelopen herfst alles aan zijn imago in de herverkiezings­campagne heeft opgeofferd. Daarvan is niet alleen de waarheid over Benghazi het slachtoffer geworden, maar ook vier diplomaten. Want een militaire interventie om hen te redden in het vredige, vrije Libië van na de Arabische Lente zou Obama’s fictie verstoren dat het islamis­tische terrorisme met Osama bin Laden ten onder is gegaan.