![]() |
| President Obama in een archieffoto met vlnr topadviseurs Valerie Jarrett, David Axelrod en Dan Pfeiffer (Foto door het Witte Huis, 21 mei 2010 - PD) |
Ondanks een zekere mate van Schadenfreude in de conservatieve pers is er nog steeds geen enkel bewijs dat president Obama op enige wijze betrokken was bij de twijfelachtige praktijken die zijn regering dezer dagen in zo’n kwaad daglicht plaatsen. Maar de lijst van schandaaltjes begint intussen wel erg lang te worden: Benghazi, de Belastingdienst (IRS), het opsporingsbevel tegen persbureau Associated Press, het corruptieschandaal binnen milieubureau EPA, het wapenschandaal ‘Fast and Furious’ -- en die lijst is daarmee nog niet volledig. Er zijn intussen wel erg veel wilde praktijken geconstateerd.
Symptomatisch voor de situatie is dat president Obama en zijn woordvoerders steevast beweren van niets te weten. Bob Schieffer van CBS reageerde afgelopen zondag geïrriteerd op de onnozele antwoorden van Obama-adviseur Dan Pfeiffer: Waarom stuurt het Witte Huis altijd functionarissen op pad die niets met de zaak te maken hebben, niets weten, of maar roepen dat het kleinigheden zijn. “Zo was het met Nixon en Watergate in het begin ook,” opperde hij.
Met zijn kritiek sluit de linkse Schieffer zich nu ook aan bij de conservatieve media. Is de president als hoogste manager van de federale regering immers niet verantwoordelijk voor het besturen van die regering en het ambtenarenapparaat dat daaronder resorteert? Columnist Mark Steyn van National Review schamperde dat de president maar doet alsof “de president van de VS” en “de regering van de VS” twee ongerelateerde entiteiten zijn die toevallig in naam iets op elkaar lijken.
Bill Kristol, redacteur van The Weekly Standard, verwoordde de Republikeinse kritiek als volgt: de vermenigvuldiging van dit soort schandaaltjes is een direct resultaat van de ideologische invalshoek en de bestuursstijl van president Obama. De president en zijn partij hebben de afgelopen vier jaar honderden miljarden dollars uitgegeven aan dure lievelingsprojecten die hebben geleid tot een ware explosie in de omvang (en de kosten) van het federale ambtenarenapparaat en het aantal wetten en regels waarmee Washington de economie probeert te besturen. De federale regering is nu zo log geworden dat het niet meer bestuurbaar is.
Vergelijkingen met de criminele praktijken van Nixon in Watergate gaan mank. Er zijn geen aanwijzingen dat president Obama persoonlijk betrokken is geweest bij de praktijken waarin zijn regering nu verstrikt raakt.
Maar dat gebrek aan verantwoordelijkheid en leiding geven is niet minder problematisch, want het heeft binnen de ministeries een machtsvacuüm geschapen. Als gevolg hebben lagere managers macht naar zich toegetrokken zonder dat er van bovenaf adequaat toezicht werd uitgeoefend. Zo kon een afdeling van de Belastingdienst drie jaar lang haar gang gaan met het intimideren van conservatieve politieke groepen: hogere managers controleerden de procedures van de afdeling niet of nauwelijks.
Wat de verschillende onderzoeken naar het doen en laten van de regering Obama zeker duidelijk maken is dat de president te veel aandacht heeft besteed aan het projecteren van een flink geretoucheerd imago en te weinig aan besturen. Dat mooie zelfportret heeft de pers in 2012 te makkelijk voor zoete koek geslikt. Als er tijdens de campagne meer aandacht was geweest voor de effectiviteit van Obama’s bestuur, in plaats van alleen maar voor het elan van zijn oraties, was een andere verkiezingsuitslag absoluut denkbaar geweest.
President Obama lijkt een ‘ceremonieel presidentsschap’ te verkiezen met weinig taken naast het houden van toespraken. Maar daarin voorziet de Amerikaanse grondwet niet. Die omschrijft de president niet maar als staatshoofd, maar ook als leider van de regering. Als die taak hem niet interesseert, had Barack Obama niet naar de baan moeten solliciteren.
