Dit artikel is op 28 maart 2012 gepubliceerd in het Nederlands Dagblad.
In de zaak die momenteel speelt rond het Amerikaanse ziektekostenstelsel, bekend als Obamacare, gaat het om fundamentele grondwettelijke principes. Als het Hooggerechtshof de wet goedkeurt, staat de ziel van de Amerikaanse democratie op het spel.
Deze week is het Amerikaanse Hooggerechtshof begonnen met behandeling van een zaak rond president Obama’s ziektekostenstelsel. Verschillende groepen menen dat een van de centrale aspecten van de wet, de verzekeringsplicht die in 2014 in werking treedt, ongrondwettelijk is. Begin deze zomer wordt een uitspraak van het hof verwacht.
De implicaties van de wet voor de werking van de Amerikaanse democratie zijn enorm. Tegenstanders van de wet menen dat de federale overheid onder de huidige grondwet helemaal de bevoegdheid niet heeft om burgers te dwingen zich te verzekeren.
De regering-Obama verwerpt die redenering met twee hoofdargumenten. Ten eerste eisen verschillende overheden in de VS nu al van burgers dergelijke zaken, zoals een autoverzekering. Ten tweede wijst de regering op de jurisprudentie met betrekking tot een artikel in de grondwet waarin ‘handel tussen de afzonderlijke staten’ wordt geregeld. Het Hooggerechtshof heeft in de afgelopen zeventig jaar herhaaldelijk toegestaan dat de federale overheid vergaande wetgeving invoert om zelfs economische activiteiten die slechts indirect invloed op handel tussen de staten hebben, te reguleren. Waar en welk product burgers kiezen, heeft per definitie invloed op de hele ziektekostenmarkt in de VS, en dus heeft de federale overheid onder de zgn. handelsclausule in de grondwet het recht om wettelijke eisen te stellen aan die verzekeringen, zo stelt de regering.
Critici van Obamacare waarschuwen dat als het Hooggerechtshof de federale overheid toestaat de handelsclausule als grondwettelijke basis voor het ziektekostenstelsel te gebruiken, elke dwangmaatregel onder het mom van de handelsclausule kan worden gerechtvaardigd. Daarmee zou de Amerikaanse rechtsstaat uit haar democratische balans worden geslagen. De regering-Obama eist hier macht op die de grondwet in het kader van Amerika’s federale staatsinrichting tot nog toe altijd aan de individuele staten heeft voorbehouden.
De lagere rechtbanken — ook die welke Obamacare uiteindelijk goedkeurden — merkten op dat de jurisprudentie rond de handelsclausule ‘te onduidelijk’ is. In feite hebben de lagere rechters de bal aan het hoogste hof doorgespeeld om duidelijkheid te eisen over de vraag waar de macht van de federale overheid ophoudt.
Tegenstanders merken op dat veel Amerikanen nu geen ziektekostenverzekering kopen. Niet alleen arme Amerikanen die het niet kunnen betalen, maar ook miljoenen mensen die de ziektekosten van speciale spaarrekeningen betalen. Obamacare verbiedt dat. In feite, zo redeneren de tegenstanders van Obamacare, dwingt de overheid hen nu een product te kopen waar ze geen belangstelling voor hebben. En dat valt volgens hen niet onder de handelsclausule. Wie geen autoverzekering wil betalen, kan nog afzien van autobezit; die vrijheid bestaat ten opzichte van Obamacare niet.
Ook de enorme macht die Obamacare aan de minister van Gezondheid geeft, baart tegenstanders van de wet zorgen. De minister krijgt volgens hen carte blanche in het reguleren van de ziektekostenmarkt – die een zesde van de Amerikaanse economie omvat – zonder enige parlementaire controle. Twee jaar na aanname van de wet blijft overigens nog onduidelijk hoeveel macht de minister precies krijgt, omdat de wet zo ingewikkeld is dat advocaten nog bezig zijn de juridische implicaties na te pluizen.
De kwestie Obamacare is een strijd om de ziel van de Amerikaanse rechtsstaat. Dat er hervormingen nodig zijn in de ziektekostensector is al jaren duidelijk. Maar die hadden ook kunnen worden aangepakt zonder het gebruik van de ondemocratische stoomwals die Obamacare heet.