Afgelopen maandag
vonden de eerste echte voorverkiezingen in de Verenigde Staten plaats, de
eerste stap in het lange proces waarmee Amerikanen hun president kiezen. De
hysterie was in 2015 al flink gestegen, gevoed door een toenemende vijandigheid
tussen Republikeinen en Democraten, een sensatiebeluste media die elke publieke
onenigheid tussen president en oppositie als catastrofale crisis presenteerde,
een splitsing van beide politieke partijen in onverenigbare kampen die zich
achter verschillende presidentskandidaten schaarden en Donald Trump. Maar tot
maandag waren er enkel opiniepeilingen – in overdaad – als graadmeter voor de
mening van de kiezers.
Het belang van de
uitslagen van de voorverkiezingen in Iowa kan makkelijk overdreven worden. In
werkelijkheid is Iowa relatief klein en kandidaten kunnen er weinig
gedelegeerden verzamelen voor op de uiteindelijke partijconventie, vooral omdat
het systeem in Iowa (caucuses) alleen op indirecte wijze gedelegeerden
toewijst (namelijk via regionale partijconventies waar gedelegeerden naar de
staatspartijconventie worden gekozen die op hun beurt pas de gedelegeerden voor
de nationale conventie kiezen). Daarnaast zijn er andere regio’s die vol zitten
met andere kiezers die andere voorkeuren hebben. Desondanks veroorzaakten de
uitslagen van Iowa een kleine aardschok, omdat ze voor beide partijen de
verwachtingen tegenspraken.
Aan Republikeinse
kant won Donald Trump niet de eerste plaats, zoals alle peilingen voorspelden;
die eer ging naar Senator Ted Cruz uit Texas. Trump behaalde een zeer eervolle
tweede plaats, maar het feit dat hij de andere kandidaten niet wegvaagde
betekende in ieder geval dat de luidruchtige Trump een toontje lager moest
zingen. Opvallend was de zeer goede plaatsing van Senator Marco Rubio uit
Florida, die slechts 1 procent minder stemmen dan Trump kreeg. Daarmee is de
campagne aan Republikeinse zijde in wezen veranderd in een race tussen deze
drie kandidaten. Rand Paul, Rick Santorum en Mike Huckabee gaven aan, dat zij
het bijltje er bij neer gooiden.
Ik schat de
kansen voor Rubio echter zeer positief in. Met het vertrek van de andere
kandidaten – en er zullen er de komende weken nog meer afvallen – is hij het
meest logische alternatief voor veel van hun supporters. Peilingen gaven al
lang aan, dat Rubio de nummer twee van velen is. Zowel Trump als Cruz stuiten
op veel weerstand bij liberaal-conservatieve kiezers; de persoonlijkheden van
beide heren staan veel kiezers in verschillende subgroepen binnen de partij
niet aan. Rubio is zeker niet minder rechtlijnig dan Ted Cruz (hij scoort in
veel opzichten zelfs als ‘rechtser’ dan Cruz), maar hij is geen provocateur.
Hij weet hoe je moet samenwerken en dingen gedaan krijgen. Zo geldt voor veel
conservatieven als zeer positief dat Rubio verantwoordelijk is voor het dichten
van een enorm financieel gat in de door Republikeinen zo gehate gezondheidswet
Obamacare. Hij wist een amendement goedgekeurd te krijgen waarmee bijna
ongelimiteerde subsidies voor gezondheidsverzekeraars werden gestopt, een stap
die de financiële luchtspiegelingen van Obamacare blootlegt en zowel
verzekeraars als de regering dwingt realistischere kostenramingen te het
gebruiken. Die tonen aan dat Obamacare de economie (en de belastingbetaler) veel
meer geld kost dan het geval was vóór de invoering van de wet.
Aan Democratische
kant behaalde Hillary Clinton slechts een zeer nipte overwinning op
sociaal-democraat Bernie Sanders. Ondanks de brede glimlach tijdens haar
overwinningsspeech is die uitslag een blamage voor de vrouw die al meer dan
acht jaar meent “aan de beurt” te zijn in het Witte Huis, en dat geldt niet
minder voor de partijbonzen, die Clinton al jaren opwarmen voor die positie.
In werkelijkheid
heeft Hillary Clinton veel gewone Democratische kiezers niets te bieden. Het
land is zeer gedesillusioneerd door het zwakke economische herstel en het
zwalkende bestuur van president Obama. Tot voor kort probeerde Clinton te
laveren tussen een afstandelijke houding tot haar vorige baas (ze diende onder
hem als minister van buitenlandse zaken) en een vereenzelviging met de
boodschap van “hope and change” van Obama in 2008. Uiteindelijk betekende die
houding een gebrek aan boodschap.
Maar het succes
van Sanders, die wel een krachtige boodschap heeft, en de toenemende geruchten
vanuit de FBI over de wanpraktijken van Clinton tijdens haar ministerschap,
hebben Hillary er recentelijk toe gedreven koers te veranderen. Ze maakt
ideologische een inhaalslag op Sanders, door zo mogelijk nog linkser te klinken
dan senator uit Vermont. Of die omslag haar zal helpen, is onduidelijk, vooral
omdat het zo overduidelijk huichelachtig is: Clinton zal nooit linkser kunnen
zijn dan een man die op huwelijksreis naar de Sovjet-Unie ging. De volgende
voorverkiezingen zijn in New Hampshire, de buurstaat van Vermont en eveneens
bekend als zeer links, waar Sanders waarschijnlijk flink zal winnen.
Alle ogen zijn nu
op New Hampshire gericht. Donald Trump is zeker nog niet uitgeteld, maar het is
onduidelijk hoe goed hij in het noordoosten zal presteren zeker nu er flinke
onzekerheid is ontstaan over de betrouwbaarheid van de peilingen. Die peilingen
verwachten een monsterzege voor Trump, maar de auteur dezes hoopt op een snel
vertrek van Trump, wiens aanwezigheid veel gematigde zwevende kiezers
afschrikt. Anderzijds dreigt er nog steeds het gevaar dat Trump uit de race
stapt om zich als onafhankelijke kandidaat verkiesbaar te stellen, hetgeen
catastrofaal voor de Republikeinen zou zijn. Wellicht dat het vertrek van nog
meer Republikeinse kandidaten de steun voor Rubio zal versterken en daarmee de
race een nieuwe wending zal geven. Wat de Democraten betreft is het momenteel
belangrijker wat de FBI en de openbare aanklager besluiten over mogelijke
vervolging van Hillary Clinton dan wat kiezers in Amerika zeggen.